409

Klinische lessen (Subject) / Tentamen (Lesson)

Alle boeken en hoorcolleges

This lesson was created by AnnaGerhardt.

Learn lesson

Advertisement
  • Etiologie eetstoornis 1. Familiefactoren- Psychodynamische benadering: families die té betrokken zijn en te controlerend, zorgen ervoor dat meisjesbasisvaardigheden missen (geen autonomie)- Genen: het controlerende gedrag van ouders leidt niet tot eetstoornissen bij kinderen, maar de genen die daarmee te makenhebben (obsessief gedrag) wél!2. Sociaal-culturele factoren- Media beelden (en voorbeelden) → meisjes die al een negatief zelfbeeld hebben zijn hier vooral gevoelig voor
  • Genen en erfelijkheid eetstornissen - Sterke erfelijkheid van anorexia en bulimia- Genen-omgeving interacties (bijv. aanleg voor bulimia en een omgeving waarin heel veel smakelijke etenswarenbeschikbaar zijn)
  • Fysieke factoren eetstornissen - Abnormale activiteit in prefrontale en temporale kwabben- Rol van de vagus nerve, disregulatie serotonine en dopamine en pijntolerantie- Allostase: veranderingen in gehele brein-lichaam systeem (door hormonale stressresponsen) → chroniciteit en blijvendrisico
  • Kinderfactoren eetstornis - Biologische persoonlijkheidskenmerken: temperament, negatieve emotionaliteit en ontregeling van emoties, impulsiviteit,stressreacties en vermijding en straf- en beloningsgevoeligheid- Perfectionisme: (onderdeel van obsessief gedrag) zit in families en leidt tot verwezenlijking van het slanke ideaal →centrale factor in etiologie, aanhouding en chroniciteit- Risicofactoren: seksualiteit (homo- of biseksueel), depressie, attitudes t.o.v. het lichaam (ontevredenheid door bijv. eerderovergewicht of de druk om dun te zijn), pesten, motivatie voor voedselkeuze en diëten (dieet als onderdeel van jezelf, zoalsvegetariërs o.i.d., hebben hoger risico), psychopathologie, gezondheidsproblemen, mishandeling (fysiek/seksueel), relatiegeweld/verkrachting, internaliserende/externaliserende stoornissen- Psychodynamisch: zelfbeeld → anorexia: lage levels van agency en relatedness, verhoogde en harde zelfreflectie
  • Ouderfactoren eetstornis - Risicofactoren: algemene disfunctie in familie (problematische communicatie, psychopathologie, financiële problemen,etc.), moeder-dochter relatie (kritiek van moeder etc.), aanmoediging van diëten, vaders die aantrekkelijkheid benadrukkenen voedselinname controleren, plagen/pesten van ouders/brusjes richting dochters, ouderlijke afwijzing- Beschermende factoren: verbondenheid, goede communicatie, monitoring van de ouders
  • Omgevingsfactoren - Risicofactoren: negatieve levensgebeurtenissen en bijv. de media, cultuur, bepaalde sporten (bijv. ballet), gebruiken als‘machtsmiddel’ (afleiding van bijv. ruzie tussen ouders; onderdeel van persoonlijkheidsstoornis)- Tripartite invloedmodel van eetstoornissen: ouders, gelijken en de media beïnvloeden de ontwikkeling vanontevredenheid met het lichaam en eetproblemen door twee mechanismen: internaliseren van dun-ideaal + uiterlijkevergelijking
  • Assessment en diagnose eetstornis - Vaak ontkennen adolescenten hun problemen en vermijden contact met professionals- Door cognitieve component van eetstoornissen (slecht zelfbeeld/verstoorde evaluaties van gewicht etc.), moet in dediagnose rekening gehouden worden met leeftijds- en cultuur-gerelateerde overtuigingen- Rapportage van ouders moet altijd worden aangevraagd- Differentiële diagnose: body dysmorphic disorder, obsessief-compulsieve stoornis, angststoornissen
  • - Psychiatrische comorbiditeit eetstornis • Depressieve stoornis• Angststoornis: OCD en Sociale angst• PTSS• Middelenmisbruik• ADHD• Autisme spectrum stoornissen• Emotieregulatie problematiek• PersoonlijkheidsstoornissenAnorexia: vooral cluster C, ASSBoulimia: vooral cluster B en/of C
  • Preventie eetstornis - Ontevredenheid met lichaam, negatieve emoties + internaliseren van ideaal afzwakken- Zelfvertrouwen en sociale steun versterken- Interventie: interactie, meerdere sessies en geselecteerde groepen
  • Welke vragen in de intake bij een eetstoornis? - Eetpatroon- Vermijding specifiek voedsel- Eetbuien (objectief/subjectief)- Overmatige wegen/uiterlijke overwaardering- Compensatiegedrag
  • Advertisement
  • Behandeling eetstoornis > Motivatie doorgaans wankel.> Eén van de bouwstenen is geloof dat problematiek veranderbaar is!Ten aanzien van verschillende symptomen kan een cliënt in verschillende stadia van motivatie zijn:Gewichtsprobleem versus Eetprobleem (obesitas)Fysieke klachten versus Gewichtsprobleem (anorexia)- Behandeling van adolescenten is effectiever dan behandeling van volwassenen, en vroege behandeling verlaagt het risico opchroniciteit- Hospitalisatie van individuen met ernstige stoornissen (heftige maatregel)- Instroom is laag en uitval is hoog in behandeling van adolescenten- Antidepressiva en humeurstabilisatoren (weinig onderzoek naar gedaan)- Psychosociale interventie: psychotherapie voor hele gezin (leidt vaak tot lagere uitval in de behandeling) → vaak stukeffectiever dan individuele behandeling
  • Maudsley model van familietherapie ouders hebben centrale rol (adolescent krijgt geleidelijk aan meerverantwoordelijkheid terug) → bevorderen van eten en gewichtstoename promoten (vaker voor kinderen adolescenten)
  • - Cognitieve gedragstherapie voor eetstoornissen (CBT-E):  identificeren van factoren die eetstoornis behouden (en dus defactoren die het ontwikkelen) en distantiëren van de stoornis om het beter te begrijpen (vaker voor (jong-)volwassenen)→ ATTITUDE t.o.v. eten veranderen- Minder vaak voorkomend: psychodynamische benadering: ontdekken van pijnlijke emoties, constructie van het zelf en deidentiteit en eerdere (familie-)relaties exploreren
  • Obesitas Explosieve groei!- In Nederland 40% >BMI 2510% >BMI 30- In VS 25% >BMI 30 lichamelijk:- Hoge bloeddruk, vaatlijden, verhoogd cholesterol (cardiale problemen)- Verhoogde kans op DM- Gewrichtsklachten- Slaapapnoe- Overmatige beharing/hormoon disbalans- Verminderde vruchtbaarheid
  • Verklaringsmodellen groei obesitas - Toxische omgeving- Genetische/biologische factoren- Psychologische verklaringsmodellen
  • Toxische omgeving Obesitas - Groter en gevarieerd aanbod van met name vet en zoet voedsel- Portiegrootte van snacks en frisdrank toegenomen- Kosten, per kcal “fout” voedsel lager dan gezond voedsel> Honger is homeostatisch mechanisme t.a.v. energie inname en energieverbruik- Eetlust niet vanuit fysiologische behoefte, kan worden opgewekt middels smakelijk voedsel… Een oude deugd die tot nood verwordt. - Variatie: meer vet en zoet variatie, meer vetmassa- Succes lijners minder variatie- Portiegrootte: hoe meer, hoe meer.. Daarna zeker geen compensatie!“...ja, maar je doet het toch zelf?”→ Men eet -onbewust- meer als er grotere porties, met variatie in smaak en structuur, makkelijk worden aangeboden.> Sensorisch specifieke verzadiging
  • autisme spectrum stoornis - Conceptualisatie gebaseerd op werk van Kanner en Asperger > beiden leggen nadruk op gebrek aan sociaal bewustzijn- Drie gebieden waarin kinderen afwijken: 1) sociale isolatie, 2) taalgebrek en communicatieproblemen, en 3) stereotypischgedrag → maar deze classificatie paste niet altijd, want kinderen kunnen nogal eens goede taalvermogens hebben… dit werd‘hoog-functionerend autisme’ genoemd; nu weten we dat een diagnose van Asperger syndroom hier beter bij past (en werdopgenomen in de DSM-IV)- Autisme en Asperger zijn punten op een continuüm: zo worden ze dan ook in de DSM-5 gepresenteerd (een spectrum)- Comorbiditeit van autisme en IDD (intellectual development disorder): prevalentie tussen 30-70%...Ontwikkelingstaken en uitdagingen gerelateerd aan coördinatie van sociale, emotionele en cognitieve domeinen
  • Sociale cognitie een construct wat scheidt tussen hetzelf en de ander, emotie en cognitie en taal en betekenis; hoe denkenmensen over zichzelf en hun wereld; hoe verwerken en interpreteren kinderen hun sociale omgevingTwee belangrijkste kenmerken:1) Onderscheid tussen dat wat meer en minder belangrijk is2) Onderscheid tussen dat wat wel en niet sociaal is→ Kinderen weten bijvoorbeeld dat aandacht aan hun verzorger geven belangrijk is (en dat mensen belangrijker zijn dandingen)- Sociaal leren is zowel leren van anderen als leren over anderen- De “like-me” aard van anderen is het beginpunt van sociale cognitie (Meltzoff, 2007)> Kinderen moeten leren dat anderen net zo zijn als zij, zodat zij belangrijke sociale informatie kunnen vergaren
  • Joint attention: de capaciteit om je visuele aandacht te coördineren met die van een ander; ervaringen delen door je terichten en te reageren op het gedrag van anderen→ Afhankelijk van de ontwikkeling van die joint attention, is een kind zijn theory of mind (ToM): de vaardigheid om eenmentale toestand aan een ander te kunnen attribueren; dat je beseft dat anderen ook denken > ontwikkelt zich vanaf debabytijd> Kinderen leren om iemands oogcontact vast te houden, te fantaseren, begrijpen dat iemand anders ergens anders over kandenken, grapjes en ironie snappen
  • Affectieve sociale competentie Sociale cognitie hangt ook af affectieve sociale competentie: de coördinatie van het ervaren van emoties, emotiesoverbrengen op anderen en andermans emotionele signalen op te vangen= Dynamische interactie met toenemende cognitieve vaardighedenHet kind wordt dus steeds meer een sociaal wezen in een sociale wereld.
  • Autism spectrum disorder (ASD): beperkingen en verslechtering in twee domeinen:a) sociale- en communicatiemoeilijkhedenb) repetitief gedrag en gefixeerde interesses
  • Autism spectrum disorder (ASD) DSM-5 kinderen moeten drie soorten sociale- en communicatiemoeilijkheden vertonen:1) sociaal-emotionele wederkerigheid moeilijkheden2) moeilijkheden met non-verbale communicatie in sociale interactie3) moeilijkheden in het ontwikkelen en behouden van relaties> Altijd in de context van ontwikkeling!+ Ten minste twee soorten repetitief gedrag/gefixeerde interesses:→ Stereotype, herhalende handelingen→ Inflexibel, rigide behoefte aan structuur→ Beperkte interesse→ Over-of onder gevoeligheid voor zintuigelijke informatie- NIEUW in DSM-5: specificeert ook ernst (level 1 = ‘hulp nodig’, level 2 = ‘substantiële hulp nodig’, level 3 = ‘zeersubstantiële hulp nodig’) → nadruk op continue benadering!- NIEUW in DSM-5: sensorische problemen (onder- of overgevoeligheid)→ Criteria in DSM-5: validiteit? Issues met specificiteit (onderscheid) en sensitiviteit (alle kinderen opsporen die het hebben)en toegang tot hulp> Tweefactorenmodel (sociale/communicatieproblemen + repetitief gedrag & interesses) → beter in het onderscheiden vanASD-kinderen van andere kinderen> Criteria zijn wel wat minder sensitief..
  • Sociale aspect autisme • Sociaal contact maken (beginnen)• Een gesprek voeren (onderhouden)• Gevoelens van anderen inschatten
  • Communicatie: autisme • Begrijpen wat iemand bedoelt• Verbaal en non verbaal• Obsessies• Vragen stellen
  • Sociale mechanismen die ten grondslag liggen aan sociale mechanismen: - Sociale interactie & het leren van taal: motherese = geluid en melodie van moeders spraak tegen jonge kinderen, normaalontwikkelende kinderen prefereren het geluid van hun moeder (babypraat), maar ASD-kinderen prefereren computerspraak- Kinderen met autisme reageren wel op personen en gebeurtenissen, maar zijn niet vatbaar voor afleiding en zien maar 1ding tegelijk, waardoor de typische joint attention niet van toepassing zal zijn
  • - Sociaal-emotionele ontwikkeling autisme Sociaal-emotionele ontwikkeling verschilt kwalitatief en kwantitatief van normaal-ontwikkelende kinderen= Gebrek aan sociale oriëntatie, reageert niet op sociale geluiden en –signalen, geen sociale wederkerigheid, beperkt enafwijkend sociaal gedrag Lees box 8.1, blz. 124- Moeite met verwerking, ervaring en perceptie van emotie: kinderen met ASD laten meer negatieve en slechter gereguleerdeemoties zien> Basisemoties worden geuit, complexere emoties zijn beperkter> ASD-kinderen gebruiken soms compensatietactieken (zoals hun enorme kennis) in sociale situatiesMaar: sommige belangrijke onderdelen van relaties zijn wel intact> Zoals: veel kinderen met ASD zijn veilig gehecht> Lachen net zo vaak als normaal ontwikkelende kinderen, maar dan veelal in respons op een interne positieve staat (en nietom sociale interacties te bevorderen) - Moeite met fantasie en imitatie- Gebrek aan sociale ‘stijl’- Soms doen kinderen met ASD het beter als ze communiceren met veel oudere of veel jongere kinderen→ Gezien ASD een continuüm, kunnen kinderen altijd verschillen in de ernst waarin zij deze problemen vertonen→ Kinderen kunnen best sociaal bewust zijn, maar bijvoorbeeld heel awkward en rigide overkomen.. - Kinderen die eerst een diagnose van Asperger zouden krijgen, praten zeker wel over relaties e.d., maar op een zeerintellectuele manier- Communicatie is zowel verlaat als afwijkend:> Langzaam brabbelen, woorden pas laat gebruiken, laat ontstaan van intentionele communicatie (wijzen/imitatie),nonverbale abnormaliteiten (in prosodie en toon), inhoud wijkt af (echolalia: woorden herhalen)- Sociaal gebruik van taal wijkt af: vrijwel alleen instrumenteel gebruik (geen complimentjes of gevoelens e.d.)- Geen zelfcensuur (zeggen alles zonder na te denken wat anderen ervan vinden; ook vaak degene die Asperger syndroomgediagnosticeerd zouden krijgen)
  • Ontwikkeling van zelfbewustzijn (Hobson): autisme > Relationele/interpersoonlijke zelf: gegrond in relaties> Reflectieve zelf: begrip van eigen perspectief, wat kan afwijken van anderen→ Identificeren met anderen steunt het ontwikkelen van zelfbewustzijn→ Kinderen met ASD laten dan ook een afwijkend zelfbewustzijn zien (“like-me” aard)
  • Repetitief gedrag: autsime heen-en-weer wiegen, met handen zwabberen, ronddraaien> Kan ook voorkomen bij andere stoornissen, maar unieke combinatie met andere beperkingen bij ASD- Gedrag is geassocieerd met angst en pogingen die angst te verminderen
  • Gefixeerde interesses: autisme alleen kijken naar de wielen van een auto, totaal opgaan in een geur, erg geïntrigeerd zijn door water(vaak bij jonge kinderen) → vaak voornamelijk gefocust op hoe dingen werken (niet op hoe mensen in elkaar zitten)> Kan bijdragen aan ongewone begaafdheid bij kinderen met ASD- Routine eisen: behoefte aan controle over omgeving (rol van executief (dis)functioneren)> Kinderen met minder ernstige ASD doen dit bijv. via taal (een gesprekonderwerp opeisen bijvoorbeeld)→ Vaak sensorische sensitiviteit: niet reactief of te reactief → beïnvloeden sociale contacten→ Kinderen met ASD vertonen ook vaker agressief gedrag
  • Prevalentie autsime Het is een zeer heterogene groep van mensen..Prevalentie = ongeveer 1 à 2 op de 100 kinderen (<1%) waarvan 30-50% verstandelijk beperkt- Varieert m.b.t. plek en etniciteit- Hogere prevalentie bij Europees-Amerikaanse kinderen, lagere prevalentie bij Afrikaans-Amerikaanse en Latino kinderen- Vaker diagnose bij jongens (80% zijn jongens!)- Meisjes vaker intellectuele ontwikkelingsproblemen, maar beter sociaal aangepast (dus minder gediagnosticeerd)- Prevalentie stijgt door: bewustzijn, bredere diagnostische criteria, betere en eerdere identificatie (en ook gewoon doordat hetvaker voorkomt)
  • Advertisement
  • 46 Veranderingen in conceptualisatie en identificatie van ASD: - Belangrijkste consequentie ligt in de toegang tot zorg en onderwijs- Comorbiditeit: kinderen met ASD kwalificeren vaak ook voor IDD, ADHD, ticstoornissen, stemmingsstoornissen enangststoornissenZie box 8.2, blz. 128
  • Ontwikkelingskoers autisme - Bijna altijd een levenslange stoornis = pervasieve ontwikkelingsstoornis- Vaak zichtbaar vanaf geboorte, maar kan ook pas na het eerste jaar ontwikkelen Transities groot probleem:Transitie naar volwasssenheidAutisme en de puberteit- Kernkenmerken van ASD zijn aanwezig en pieken vaak tussen de 2 en 4 jaar- Zie figuur 8.2, blz. 131: verbeteringen in het sociale- en communicatieve domein komen vaker voor en gebeurt vaak vroeg“bloomers” > laten hele snelle verbetering zienHigh-functioning kinderen: vaker snellere verbeteringKinderen die ook IDD hadden: veel minder vaak een verbetering- 15-30% van kinderen met ASD laten regressie zien (kan vrij abrupt of gradueel zijn)> Kan in de adolescentie gebeuren en gaat dan vaak gepaard met toevallen- Mensen met ASD kunnen soms zelfs afhankelijker zijn dan mensen met IDD en minder sociale contacten hebben en meerzorg nodig hebben
  • Sociale en communicatieve paden autisme - Hoe eerder taal ontwikkeld, hoe beter de prognose- Helft van de kinderen met ASD ontwikkelt nuttige spraak helemaal niet (vaak gepaard met IDD)- Imitatie, joint attention en spel voorspellen betere taaluitkomstenTaalproblemen kunnen op sociaal gebied leiden tot angst en tot verstrekkende gevolgen (geen baan kunnen krijgen e.d.).> Dit is op elke leeftijd weer een ander probleem en benadrukt dus het feit dat dit een ontwikkelingsstoornis isMoeite met relaties; isolatie (vooral in latere groepen)- Mensen met ASD wíllen wel connecties met anderen krijgen, maar dit lukt vaak niet → leidt tot verdriet, eenzaamheid enangst
  • Gedragspaden autisme - Repetitief gedrag is stabieler in de ontwikkeling dat de sociale- en communicatieproblemen- 85% blijft hier moeite mee hebben- Een hoger non-verbaal IQ draagt bij aan meer verbetering- Gefixeerde interesses kunnen op latere leeftijd in je voordeel gaan werken (expertise)
  • Rol van de familie autimse - Stress op ouders (verschillende tijden en taken; overgangen naar school bijv., en het zoeken van speciaal onderwijs)- Effect op zusjes/broertjes; kunnen hier onder lijden, maar kunnen hun ASD-broertje/zusje ook helpen met het integreren insociale contacten → betrokkenheid van broertjes/zusjes blijkt heel belangrijk voor het welzijn van het kind met ASD!
  • Etiologie autimse Vroeger: fysiologische verklaringen → psychosociale verklaringen: psychoanalytisch (slechte opvoeding (ijskastmoeders))→ Volledig van de baan geveegd!
  • Genen en erfelijkheid autisme - ASD is de meest erfelijke stoornis bij kinderenIdentical (monozygotic) twins: 80% (100% shared genes, shared uteral environment)Fraternal (Dizygotic) twins: 31% (50% shared genes, shared uteral environment)Siblings: 20% (50% shared genes, no shared uteral environment)- 90% van het risico op ASD is te wijten aan genen: soms minder, soms meer.. ligt natuurlijk ook aan de omgeving!- Polygenische model: interactie tussen verschillende genen leidt tot risico> ASD is geassocieerd met andere genetisch overdraagbare aandoeningen zoals fragiele X syndroom en tuberous sclerose> Genetica verklaart het meest van de associatie tussen ASD en IDD- Alternatief model: de novo (zeldzame) mutaties leiden tot risico> Geassocieerd met leeftijd ouders (vooral oudere vaders)> Ondersteunt door hoge concordantie in MZ-tweelingen en lage concordantie in DZ-tweelingenEr kunnen meer en minder erfelijke vormen van autisme zijn…- Peri- en prenatale factoren; maar absoluut geen relatie meer met vaccinaties (werd vroeger gedacht)
  • Fysiologische factoren autimse - Breinregionen bij autisme: frontale kwabben, amygdala en cerebellum> Gebieden waar verwerking van sociale- en emotionele stimuli plaatsvindt (minder neuronen in limbisch systeem –amygdala, hippocampus: bewijs voor in post-mortem en dier-studies!)- Verminderde connectiviteit tussen de hemisferen- Verhoogd serotonineniveau (nog niet helemaal duidelijk wat de consequenties hiervan zijn); oxytocine
  • Spiegelneuronen: autimse in het corticale motorische systeem, reageren op andermans bewegingen → disfunctie in deze neuronenverklaart waarom kinderen met ASD moeite met sociale cognitie hebben (geen ervaring van ‘de ander’ via eigen internerepresentatie – geen ToM, empathie en imitatie hierdoor)
  • Groei-disregulatie hypothese:autisme het proces van de groei van het brein verloopt niet soepel → extreem snelle groei in devroege jeugd, waarna de grootte drastisch afneemt vanaf de adolescentie
  • Extreme male brain theory: autisme evolutionaire rol van geslachtsdimensies in het functioneren van het brein (mannen: logischredeneren, vrouwen: empathie en relaties) → “autisme is een zeer extreem voorbeeld van het ‘normale mannelijke brein’”> Binnen deze theorie kan autisme gezien worden als een ontwikkelingsverschil i.p.v. een –stoornis
  • Kinderfactoren autisme - Cognitieve factoren: ToM-beperkingen (zogenaamde mindblindness) → verklaard een hoop van de sociale encommunicatie problemen binnen ASD, maar verklaard de niet-sociale beperkingen (zoals repetitief gedrag) erg slechtZie figuur 8.4, blz. 134 (voorbeeld van een theory of mind test)- De empathizing-systemizing (E-S) theory: benedengemiddelde empathie en bovengemiddelde systematisatie (analyserenen bouwen van systemen, zoals klokken/sleutels/etc.) → gerelateerd aan de extreme male brain theory omdat er duidelijkegeslachtsverschillen zijn in empathizing (vrouwen beter) en systemizing (mannen beter)- Central coherence hypothese: mensen willen betekenis geven aan informatie die onderdeel is van een geheel waaraan hetcoherent is, maar mensen met ASD fragmenteren informatie en zien dus het coherente geheel minder (veel aandacht voordetail: is een sterk punt aan mensen met ASD [“strength-based understanding of autism”])→ Kinderen met IDD doen het vaak beter dan kinderen met autisme op ToM, centrale coherentie en sociale cognitie (IDDheeft dus niet zo’n sterk sociaal component)- Kinderen met ASD: moeite met verbaal leren, hoe moeilijker de taak – hoe meer moeite, executief functioneren (plannen enorganisatorische vaardigheden)
  • Assessment en diagnose autisme Assessment en diagnose- Aanpassingen in DSM-5 zijn bedoeld om een meer betekenisvol beeld te krijgen van ASD (er zit héél veel variatie binnenhet spectrum van autisme)Evaluatie van ASD:- Zijn ze kernsymptomen van sociale- en communicatiebeperkingen en repetitief gedrag aanwezig?- Wat is de mate van de beperkingen?→ Assessment door interdisciplinaire teams- Diagnose uitsluitend gebaseerd op gedrag en ontwikkeling- Vaak alleen klinische diagnose- Toenemend gebruik van 2 ‘gouden standaard’ instrumenten (training noodzakelijk)» Autism Diagnostic Interview (ADI)» Autism Diagnostic Observation Scale (ADOS)» Social Responsiveness Scale (SRS)In Nederland veel verschillende diagnostische vragenlijsten!- Diagnose kan betrouwbaar worden gesteld op een leeftijd van 2 jaar (voornamelijk gebaseerd op ervaringen envaardigheden)- Diagnose wordt veel vaker gesteld bij kinderen tussen de 2-10 (daarna neemt het aanzienlijk af)
  • Interview met de ouders autisme - Veel bruikbare informatie (vroege ontwikkeling, medische informatie, achtergrond)- Steunt op retrospectieve data (geheugen?)- Ouders hebben vaak gelijk over zorgen over hun kinderen, dus moeten zeer serieus worden genomen
  • Checklists, beoordelingsschalen en observaties autisme - Modified Checklist for Autism in Toddlers (M-CHAT): vroege opsporing (23 ja/nee vragen)Autism Observation Scale for Infants: ook vroege opsporing- Autism Diagnostic Interview (ADI): meer uitgebreidChildhood Autism Rating Scale: gebruikt door clinici- Autism Diagnostic Observational Schedule (ADOS): observatieinstrument > Vereisen allemaal veel training maar zijn erg nuttig
  • Differentiële diagnose en comorbiditeit autisme - Taalstoornissen moeten worden uitgesloten- Aandacht naar diagnose van IDD- Angst, tic- en stemmingsstoornissen en ADHD→ 70% heeft een tweede diagnose: met name ADHD, verstandelijke beperking en angst/depressie→ Begeleiding en behandeling inspelen op bijkomende problematiek
  • Interventie autisme algemeen Ouders willen dolgraag hulp, maar weten hier soms niet genoeg over, waardoor ze dingen als vergemakkelijktecommunicatie, chelatie (geen zware metalen in bloed) en zuurstoftherapie gaan porberen..> Vroege interventie heeft een positief effect, maar geeft géén genezing!
  • Farmacologische behandeling autisme - Vaak en veel medicatie gebruikt bij ASD- Antidepressiva, stimulanten en neuroleptica (zijn allemaal niet specifiek aan autisme..)> Vaak ineffectief om kernsymptomen aan te pakken, maar helpen wel bij comorbide stoornissen
  • Psychologische behandeling autisme - Psychologische behandeling die sociale en gedragstechnieken benadrukken werken het beste> Duren vaak lang (zeker 20 uur per week) en zijn gestructureerd om taal en sociale vaardigheden te verkrijgen
  • Applied behavior analysis (ABA): autisme meest wijdverspreide interventiemethode (ontwikkeld door Ivar Lovaas); intensievegedragsaanpak met veel controle en richting geven aan het kind en de omgeving» PRT (pivotal response treatment)» EIBI (early intensive behavior treatment)> Start zo vroeg mogelijk en duurt wel 40 uur per week voor zeker 2 jaar (of langer)> Focus: negatief gedrag verminderen, dan taal en interactie verbeteren (en soms focus op schoolvaardigheden)> Gebaseerd op discrete trial format: 1 specifieke gedraging uitgevoerd door therapeut, gevolgd door beloning voor eenrespons hierop of imitatie hiervan> Deze aanpak krijg kritiek omdat het te weinig rekening zou houden met de ontwikkeling van jonge kinderenRogers: sociale beperkingen moeten aangepakt worden binnen de sociale relaties die de kinderen controleren