409
Klinische lessen (Subject) / Tentamen (Lesson)
Advertisement
- Temperament: continu of categorisch model? - Twee typen temperament: hoge reactiviteit en geïnhibeerd OF lage reactiviteit en niet geïnhibeerd- Tegenwoordige continue (dimensionele) modellen:1. Surgency = extraversie2. Negatieve affectiviteit = predisposities om angst/frustratie/boosheid te ervarenIs sterk gerelateerd aan arousal en emotie (te veel/vaak/doelloos arousal leidt tot angst/woede)3. Effortful control = pogingen om stimulatie en respons te regulerenMeisjes vaak hogere scores→ Deze dimensies zijn allen reflecterend voor de emotionaliteit van het kind (geneigdheid om te reageren op emotionelestimuli en de intensiteit van deze responsen)
- Karakteristieken van de verzorger Sensitieve verzorgers → positieve veranderingen in stresshormonen van kindNiet sensitieve verzorgers → negatieve affectiviteit- Verzorgers beïnvloeden ook de regulatie: reageren op de behoeften van het kind
- Goodness of fit KJK de interactie tussen temperament van het kind en de opvoeding van de ouders → match tussen gedrag kinden gedrag ouders- Is niet een alles-of-niets situatie: er zijn in elke relatie zowel matchen als mismatchen
- Differential susceptibility: de verwachting dat sommige individuen vatbaarder zijn dan anderen voor zowel negatieve alspositieve omgevingscondities
- Temperament over tijd KJK Na ongeveer 3 á 4 maanden (na de eerste biobehavioral shift) komen verschillende onderdelen van het temperament samen→ evidentie voor consistentie over situaties en stabiliteit over tijd van het temperament
- Temperament en psychopathologie - Temperament als algemene risicofactor: kinderen met moeilijk temperament en problemen met onder- of overregulatie incombinatie met hoge negatieve affectiviteit en lage effortful control (= externaliserende problemen) of lage positieveemotionaliteit (= internaliserende problemen)- Temperament als specifieke risicofactor: connecties tussen reactieve, geremde kinderen en later internaliserende stoornissenals angst en connecties tussen minder reactieve, ongeremde kinderen en later externaliserende stoornissen als gedragsstoornis
- Stoornissen in de vroege ontwikkeling focus op slapen en eten
- Ruminatie herhaalde oprispingen van het eten (of herhaald kauwen)
- Eetstoornissen KJK - Stoornis: inefficiënt en ineffectief voedingspatroon> Geen vaardigheid in het ervaren van honger en voldaan zijn> Gebrekkig oraal functioneren (mond openen, slikken e.d.)> Uitgestelde ontwikkelingstaak (ontwikkelingsachterstand e.d.) > Negatieve ervaringen m.b.t. eten (ziekte, dwang e.d.)- Reactie omgeving> Bezorgdheid, frustratie bij opvoeder leiden vaak tot reacties die probleem versterken (bijv. Alex, Gabriel)> Gevoelens van incompetentie en boosheid richting kind vergroten stress en opties rond hoeveelheid voedsel, type voedselen manier van eten
- - Ontwikkelingskoers eetstoornisse Voeden is een combinatie en integratie van interne processen (slikken, kauwen) en relationele processen (communicatie,reciprociteit)Hierbij zijn de reacties van de verzorgers op het kind erg belangrijk
- Advertisement
- Etiologie eetsstoornissen KJK Voedingsproblemen kunnen ontstaan door een late ontwikkeling, door genetica of door abnormaliteiten in de orale anatomie
- - Interventie eetstornissen KJK Bijv. het driedelige model van Benoit en Coolbear (1998) voor kinderen met eetproblemen na een trauma: ten eerste eenfysieke verandering van omgeving om dysfunctie van honger en voeden te verhelpen, ten tweede de monitoring van devoeding en ten derde de gedragstechnieken
- Slaapstoornissen KJK Stoornis: duidelijke en volhardende problemen rond slapen (problematiek met in slaap vallen/blijven en nachtmerries) Typen:> Insomnia: moeite met in slaap vallen en blijven> Verstoringen in ‘arousal’ (opgejaagdheid): bijv. verstoord praten in je slaap, nachtangst of slaapwandelen> Nachtmerries: wakker worden door angstige dromen Deze stoornissen zijn het gevolg van individuele verschillen in mate van arousal en aandacht in combinatie metopvoedingsfactoren.
- - Ontwikkelingskoers slaapstorissen KJK Veel slaapproblemen zijn aanhoudend en worden erger → slaap is echter een van de stadia van kinderen waarin ze het meestetijd doorbrengen en is dus erg belangrijk; slaaptekort leidt tot problemen bij kinderen en ouders (humeurigheid,aandachtsproblemen, vermoeidheid en zelfs consequenties op de lange termijn zoals academische problemen)
- Etiologie slaapstornissen KJK Zelfregulatie en het kalmeren van jezelf en moeilijk temperament zijn risicofactoren voor slaapproblemenOuders met problemen qua grenzen en angst/depressie verhogen ook de kans op slaapproblemenCulturele/etnische verschillen zijn ook belangrijk; zoals bijv. co-slapen→ Verschillen in factoren die slaapproblemen doen ontstaan en factoren die slaapproblemen blijven onderhouden
- - Interventie slaapstornissen KJK Gedragstherapie en andere dynamisch georiënteerde aanpakken zijn veelvoorkomend (en soms ook medicijnen)
- Hypersensitieve regulatiestoornis: verhoogde sensitiviteit voor zowel auditieve als visuele stimuliSubtypen: geremd en angstig / negatief en afwijkend
- Onder-reactieve regulatiestoornis: slechte motorische spanning en coördinatie, self-absorption, geen organisatorische skills(niet te verwarren met autisme; de interacties in deze vorm van regulatiestoornis zijn een stuk positiever)
- Motorisch gedesorganiseerde, impulsieve regulatiestoornis: onderbrekende activiteit en sensatiezoekend en risicovolgedrag, kan zichzelf niet kalmeren
- Ontwikkelingskoers Regulatiestoornissen Continue problemen met regulatie en reactiviteit → sijpelt door in adolescentie/volwassenheid
- - Etiologie Regulatiestoornissen Overtuigingen van de ouders, gedrag van de ouders en goodness of fit zijn belangrijke factoren
- - Interventie Regulatiestoornissen • Van belang om dit te doorbreken voordat het automatische, rigide aanpassingspatronen worden• Interventies van drie sessies kunnen veel verbetering brengen (bijv. floor-time: structured form of play)Na drie sessies zijn er significante verbeteringen gerapporteerd → Stern zegt dat seriële, korte therapie de beste methode is→ Focus op ouders om positieve interacties tussen ouders en baby’s te doen ontstaan→ Bezigheidstherapie: sensorische adaptie van kinderen verhogen (bijv. donzige dekentjes aaien, in het water spelen etc.)
- Ontwikkelingstaken en uitdagingen gerelateerd aan hechting Voltooide taken na eerste levensjaar: hechtingsrelatie, zelfgevoel en het begrip van anderen in de wereldEvolutionair perspectief: hechtingsrelatie zorgt voor beschermingKenmerken van verzorgers:1. Veilige haven bieden (kind wat steun en comfort zoekt)2. Onderhouden van nabijheid (kind wat verbondenheid zoekt)3. Veilige basis geven (kind durft wereld te ontdekken)
- Veilige hechting/ verzorger reageert sensitief, consistent en toepasselijk → kind vindt zichzelf waardig, de wereld leuk, vertrouwtanderen
- onveilige hechting inconsistente, inadequate of onbereikbare zorg → tegenovergestelde van bovenstaande en leidt tot resistente,vermijdende en/of gedesorganiseerde hechting van kinderen (hoeft niet perse een stoornis te zijn)
- Angstig/ambivalente hechting: inconsistentie en onvoorspelbaarheid (moeder troost het kind soms, vader voedt het kindsoms) → angstige kinderen, die niet graag nieuwe dingen ontdekken en soms wel en soms niet rustig bij de oppas zijn ensoms wel en soms niet blij zijn dat mama terugkomt
- Angstig/vermijdende hechting: onvoldoende zorg of véél te veel zorg → kinderen worden emotioneel gelimiteerd envinden zichzelf onwaardiger en zoeken naar andere personen dan hun verzorger voor comfort
- Gedesorganiseerde hechting: verzorger wordt gezien als beangstigend, angstig of kwaadaardig (kan komen door lange ofherhaaldelijke afscheiding van kind en ouder) → conflict is gefocust op verzorger, die zowel een bron van comfort als angstis → kind is in gedrag en emotie gedesorganiseerd, bevriest soms in gedrag en heeft stereotypische bewegingen en het kinduit zijn angst> Jonge leeftijd: o.a. tegenstrijdige gedragingen onder stress, asymmetrische bewegingen, vreemdeuitdrukkingen, bevriezen, weerzin tegen opvoederOudere leeftijd: o.a. agressief en externaliserend (m.n. jongens), rolomkering, geseksualiseerd gedrag,persoonlijkheidsproblemen, dissociatie
- Factoren die de ontwikkeling van hechting beïnvloeden → Het is niet simpelweg de aan- of afwezigheid van een factor, maar meer het additieve/cumulatieve effect van positieve ennegatieve factoren die de hechting beïnvloeden→ Een meer complex model suggereert dat we naar de dynamische speling tussen ouder en kind moeten kijken
- Algemene risicofactoren hechtingstornissen - Te harde of lakse opvoedingsstijl (e.g. autoritair)- Geen tot weinig sensitiviteit: 86% van de moeders van kinderen met stoornis zelf onveilig gehecht- Ongepaste grenzen tussen ouder en kind- Conflicten tussen ouders- Huiselijk geweld
- Advertisement
- Uitkomsten van vroege hechting - Hechting beïnvloedt neurologische ontwikkeling- Hechting beïnvloedt de emotieregulatie en wijst op de centrale rol van emotie in persoonlijkheid- Hechting geeft een prototype voor relaties en een manier waarop je je moet gedragen in relaties- Hechting beïnvloedt huidige en latere persoonlijke en sociale aanpassing d.m.v. geïnternaliseerde representaties van jezelfen de wereld
- Hechting en psychopathologie - Niet alle onveilige hechtingsstijlen zijn een basis voor stoornissen- Kinderen met hechtingsstoornissen lopen meer risico voor hun ontwikkeling- Onveilige en gedesorganiseerde hechting leidt vaker tot externaliserende problemen, vooral bij jongens
- Hechtingsstoornissen algemeen Zero to Three classificatie systeem → ‘relatiestoornissen’, gerelateerd aan:- Geen specifieke of speciale hechting met geen enkele verzorger- De ervaring van inadequate of mishandelende zorg- Het verlies van een hechtingDSM stelt expliciet dat de ontstaanswijze/etiologie komt door serieuze sociale verwaarlozing op jonge leeftijd- De stoornis is een reactie op een emotioneel pathologische omgeving- Nieuwe categorie: in DSM-IV onder ‘Stoornissen kindertijd’ en in DSM-5 onder ‘Trauma en stressor gerelateerd
- Symptomen van hechtingsstoornissen: Verstoorde en ongepaste manier van sociaalgedrag dat start voor het vijfde levensjaar enzich uit als:1. Niet gepast kunnen beginnen of reageren op de meeste sociale interacties; of2. Niet-selectieve gehechtheid
- Reactieve hechtingsstoornis (RAD): geen georganiseerd hechtingsgedrag, verminderde sociale verbintenis enmoeilijkheden met emotieregulatie, geen comfort wanneer gestrest zoeken, niet makkelijk te kalmeren → is zeldzaam enalleen gediagnostiseerd bij kinderen die hele nadelige ervaringen hebben gehad
- Gedisinhibeerde sociale verbintenisstoornis: geen terughoudendheid bij onbekenden en dwalen af zonder om te kijken,sociaal oppervlakkig gedrag, aandacht zoeken, ongepast fysiek gedrag (wellicht deel van een groter disfunctioneel patroon;moeilijker te behandelen)
- Ontwikkelingskoers hechtingsstoornis → Fysiologische, emotionele, behavioristische en cognitieve problemen bij onveilige hechting→ Grootste effect op kind-ouder relatie- Fysiologisch: ontwikkeling van stresssystemen (sensitiviteit, responsiviteit, arousal)- Emotioneel: meerdere negatieve emoties in verschillende situaties- Cognitief: schema van relaties bevatten concepten als woede, wantrouwen, chaos en onzekerheid → ‘mentaliseren’ =anderen begrijpen in de context van hun eigen mentale staat + dissociatie (gedesorganiseerde hechting) = geen idee hebbenvan wat net gebeurd is, niet aanwezig zijn (wijst op slechte integratie van mentaal bewustzijn)
- Etiologie hechtingsstoornis - Verzorgende factoren→ Inadequate, onoplettende, inconsistente en opdringerige zorg zijn geassocieerd met onzekere hechting→ Nalatige en mishandelende ouders leiden tot hechtingsstoornissen
- Hechtingsstoornis - Factoren vanuit de ouders → Persoonlijkheid en psychopathologie, hechtingsgeschiedenis, etc. (contextueel)→ Depressie, bipolaire stoornis, angst, middelenmisbruik en schizofrenie zijn allemaal geassocieerd met meer onzekerheidbij kinderen→ Pathologisch opvoeden (bedreigend en angstig gedrag) wordt verwacht onopgeloste conflicten te reflecteren die ontstaanzijn uit de hechting van de ouders zelf→ Emotionele verwaarlozing, fysieke verwaarlozing, herhaalde wisselingen van opvoeders
- Hechtingsstorniss - Factoren vanuit het kind → Moeilijk temperament→ Verhoogde differentiële (genetische) vatbaarheid voor slechte opvoeding→ Kinderen die te vroeg geboren zijn, hebben niet perse een hogere kans op onveilige hechting, maar in combinatie metandere stressoren is die kans wel verhoogt→ Kinderen met neurologische moeilijkheden, zoals Downsyndroom of autisme, kunnen ongewone hechting vertonen
- Diagnose Hechtingstoornis - Naturalistische dataverzameling → thuisbezoeken/assessment in een soortgelijke omgevingAnamnese (voorgeschiedenis) en interviews→ Informatie over soort verzorger en de match tussen kind en verzorger→ Karakteristieken van het kind (temperament, prematuriteit, pre- of postnatale complicaties, vroege regulatiepatronen,ontwikkelingsmijlpalen) worden in kaart gebracht in zo’n onderzoek→ Karakteristieken van de ouders (algemene percepties en specifieke kennis over kinderen en hun verzorging, steun enondersteuning, persoonlijkheden, hechtingsgeschiedenis v/d ouders, familiedynamiek)Vragenlijsten en gestructureerde takenBijv. de Attachment Q-Sort voor kinderen tussen 1-5 jaar (is een alternatief op de ‘vreemde situatie procedure’) → verhaaltjeafmaken wat relevant is voor de hechting (bij stoornissen: geen samenhangende verhalen en meer beschrijvingen van deouders als onbekwaam)Observaties→ Belangrijkste middel
- Assessment van oudere kinderen en adolescenten hechtingsstoornis Hoe ouder een kind, hoe moeilijker het is om eenspecifieke stoornis van hechting te diagnosticeren,doordat ze vaak meerdere problemen ervaren(agressie, depressie, etc.) en het moeilijk is om deetiologie (oorzaak) terug te brengen naar eenhechtingsstoornis (en niet iets anders)
- Interventie Hechtingsstoornis -> Voorzorgmaatregellen Universele maatregelen: voor de algemene populatie(bijv. de ‘early child education program’)Selectieve maatregelen: voor groepen met eenbovengemiddeld risico (bijv. STEEP model vanErikson (Steps Toward Effective, Enjoyable Parenting)voor ouders die risico lopen)Indicatie maatregelen: voor groepen met specifieke risicofactoren die meer uitgebreide hulp nodig hebben (bijv. ABCprogramma = The Attachment and Biobehavioral Catch-up)
- Interventie Hechtingsstoornis Kinderbehandeling Voor kinderen die al gediagnostiseerd zijn met een hechtingsstoornis, hangt verbetering sterk af van de duur en de mate vande stoornis, etiologie, leeftijd en de grootte van de omgevingsveranderingen→ Eerste prioriteit van behandeling is een veilige en stabiele, verzorgende omgeving voor het kind te creëren→ Optimisme is hierbij belangrijk omdat kinderen hechtingsrelaties ook in andere situaties moeten leren aangaan
- Interventie Hechtingsstoornis -> Kind-ouder psychotherapie (IPP) → Therapeut en ouder werken samen om doelen en procedures van evaluatie te bepalen→ Resultaten zijn gemixt als het gaat om de effectiviteit van de interventies- Er is überhaupt over alle diagnoses en interventies etc. geen consensus tussen clinici!Regulatieproblemen: thuistraining, bijv. met alarm, psycho-educatie, gedragsmodificatie
- Ontwikkelingstaken gerelateerd aan eten en uiterlijk - Ontwikkeling van body image: perceptie van eigen fysieke voorkomen, en body satisfaction: de mate waarin een persoontevreden is met het eigen fysieke voorkomen- Zorgen om body image groeien geleidelijk en ontstaan niet ineens in de puberteit, maar in de puberteit is de dissatisfactiemet het lichaam wel het hoogst (meisjes zijn vooral bezig met gewicht en uiterlijk, waarbij meisjes vooral gewicht willenverliezen, jongens zijn verdeeld over gewicht willen verliezen of willen aankomen (spieren))- Lichaamsgewicht heeft géén invloed op iemands likeability, maar wél op diegene zijn populariteit en ook op het hebben vaneen romantische relatie- Afrikaans-Amerikaanse en Latijns-Amerikaanse meisjes zijn over het algemeen het meest tevreden met hun lichaam(minder geïnternaliseerd beeld van extreem slank schoonheidsideaal)- Combinatie van media en BMI leidt tot ontevredenheid met het lichaam in Westerse landen → media (1) normaliseertdiëten en extreme dunheid en (2) moedigt jonge mensen aan tot herhaalde evaluatie van hun eigen lichaam, zodat zij willenlijnen en extreem sporten- Hoge SES gaat vaak gepaard met meer ontevredenheid over het lichaam en het graag dun willen zijn→ Verschil in BEWUSTZIJN van het schoonheidsideaal en het INTERNALISEREN hiervan (oudere meisjes zijnwaarschijnlijker om de beelden te hebben geïnternaliseerd → is belangrijker dan alleen bewustzijn)
- Eetstoornissen algemeen -DSM-5: anorexia nervosa, bulimia nervosa en binge-eating disorder (+ residuale categorie voor atypische of gemixteeetpatronen = niet anders omschreven (nao) → grootste categorie!) - Genderverschil in compensatie gedrag bij adolescente jongens en meisjes- Geen subtypen van bulimia nervosa- Veel crossovers tussen individuen met eetstoornissen (iemand die eerst anorexia gediagnosticeerd krijgt, kan later ookbulimia krijgen) Peterson et al. (2011): drie klassen van symptomen- Overeten en purgeren- Overeten- Lage BMI- Meeste individuen met een gedeeltelijke eetstoornis, komen in remissie; maar er zijn ook individuen die een volledigeeetstoornis ontwikkelen- Meisjes hebben in elke categorie een hogere prevalentie dan jongens → prevalentie van anorexia en bulimia is ondermeisjes gelijk (1%), binge-eating disorder iets hoger en de grootste categorie is de residuale categorie→ Vrij hoge prevalentie, ondanks dat binge-eating en bulimia vaak niet herkenbaar is- Europeaanse vrouwen zijn het meest waarschijnlijk om een eetstoornis (welke vorm dan ook) te vertonen: is een eetstoorniseen moderne, westerse stoornis?- Comorbiditeit: depressie (vaakst), bipolair, angststoornissen, obsessief-compulsieve stoornis, sociale fobieën→ Véél zorgen rondom zelfbeschadiging en suïcidaliteit (neemt toe in combinatie met alcoholmisbruik)
- Ontwikkelingskoers eetstoornissen - Meeste syndromen in de adolescentie zijn ‘snel en zelflimiterend’ → 70% goed herstel- Ontstaansleeftijd: vroege of late adolescentie → twee belangrijke overgangen (van kind naar adolescent en van adolescentnaar volwassene)- Er zijn echter ook bewijzen voor het ontstaan rond de 40 en latere leeftijden- Jonge adolescenten hebben vaker anorexia en oudere adolescenten vaker bulimia- Binge-eating disorder ontstaat vaak later- Hoe eerder de stoornis wordt erkend en behandeld, hoe minder heftig de koers van de stoornis is (en ook minder chronisch)- Crossovers in stoornissen:Alcoholmisbruik: overgang van bulimia naar anorexiaOuderlijke kritiek: overgang van anorexia naar bulimia- Psychische consequenties: slecht zelfbeeld, gezondheid, sociaal functioneren, comorbiditeit van depressie enalcoholmisbruik- Medische complicaties: - Lanugo beharing- Broze nagels- Haaruitval- Blauwige vingertoppen- Uitstekende botten/omvang bovenarm- “Braakkaken”- Tandproblemen/cariës
- Minnesota Starvation Study - Studie uit 1944-1945 om de effecten van extreem weinig voedsel in kaart te brengen- 12 maanden extreem restrictieve voedselinname→ Resultaten: uithongering kan leiden tot depressie, hypochondrie, hysterie, zelfmutilatie, sterk gepreoccupeerd met eten,geen seksuele behoeftes, sociale terugtrekking, zelfrapportage van achteruitgang in cognitieve vaardigheden (concentratiee.d.), verminderd metabolisme, lage lichaamstemperatuur en hartslag
- Starvation syndrome • Lichamelijke veranderingen: kouwelijk, traag, trage hartactie• Verandering persoonlijkheid: toename apathie, somber, geprikkeld, bang, toename egocentrisme, afgenomen interesses,afgenomen drive• Preoccupatie met eten: denken, praten over eten, kookprogramma’s, borden likken, met eten spelen, obsessief/ ritualistischgedrag met eten• Verandering in sociaal gedrag: afname van sociaal gedrag, sociaal terugtrek gedrag afname humor, toename sarcasme• Onderzoek ratten: overmatig bewegen Sterk verband tussen fysieke toestand & psychologische fenomenen→ Ernstig ondergewicht lijkt op anorexia→ Overgewicht geeft eetdrang→ Anorexia geneest niet zolang ondergewicht blijft!