409
Klinische lessen (Subject) / Tentamen (Lesson)
Advertisement
- Het diagnostisch proces 1. Observatie 2. (Uitgebreide) intake 3. Psychodiagnostisch onderzoek 4. Classificatie DSM en beschrijvende diagnose 5. Indicatiestelling
- Het diagnostisch proces 1. Observatie - Wat zie je? Wat merk je bij jezelf?
- Het diagnostisch proces 2. (Uitgebreide) intake - Doel? Hoe begin je? En hoe kijkt de patiënt er tegen aan?- Attitude: betrokkenheid binnen een gelijkwaardige maar ongelijkvormige relatie
- Structuur van de intake: - Kennismaking en introductie- Ongeveer 20 minuten uitvragen van de klachten en visie van cliënt daarop (stijl: open en terughoudend)- Ongeveer 20 minuten uitvragen huidige leefsituatie en gezin van oorsprong (stijl: initiatief en vragen stellend)- Laatste 20 minuten resterende vragen, zijn er belangrijke dingen niet besproken? Hulpvraag en therapieverwachting? Hoeervaarde de patiënt het gesprek? Uitleg: hoe verder? (stijl: directief)
- Structuur intake inhoudelijk Opbouw; klachten:- Klacht-anamnese en beloop van de klachten> Welke klacht staat voorop (= hoofdklacht)?> Uitvragen van andere klachten> Per klacht: hoe vaak, hoe lang, aanleiding, beleving van ernst (recent voorbeeld)- Zijn er eerdere periodes met klachten geweest?- Familiaire belasting- Fysieke gezondheid- Inschatten suïcide risicoBehandeling en middelen:- Eerdere behandelingen> Vorm van behandeling> Effect?- Medicatie> Huidig gebruik> Niet voorgeschreven “medicatie”- Middelengebruik> Alcohol, drugs (cafeïne, nicotine)> Concreet doorvragen over frequentie en hoeveelheid!!! Daarna: omstandigheden en voorgeschiedenis- Sociale situatie: wonen, werk, relatie, kinderen, sociaal netwerk, hobby’s- Biografie: gezin van herkomst, levensloop, opleiding/werk, eerdere relaties- Ingrijpende gebeurtenissenNiveau van de afweer:- Hoog adaptief is zonder vervorming van de realiteit (humor, sublimatie)- Laag adaptief is met grote vervorming van de realiteit (projectieve identificatie, loochening)- Niveau van handelen (ageren)- Niveau van ontregeling (psychotische vervorming)
- Het diagnostisch proces 3. Psychodiagnostisch onderzoek - Interviews- Vragenlijsten- Projectief materiaal- Cognitieve takenWanneer testonderzoek?- Sluipend begin van een klacht en rol van stressfactor is niet duidelijk- Complexe problematiek- Uit het contact blijkt dat er vermoedelijk As II problematiek aanwezig is- Eerdere behandeling heeft onvoldoende effect gehad- Vage klachten
- Het diagnostisch proces 4. Classificatie DSM en beschrijvende diagnose - Beschrijving van de symptomen- Verkenning van de factoren die de stoornis hebben uitgelokt dan wel in stand houden en de wijze waarop- Prognose met en zonder behandeling
- Het diagnostisch proces 5. Indicatiestelling - Multidisciplinaire richtlijnen- Eigen visie op de problematiek- Therapieverwachting en motivatie voor verandering- Wat heeft in het verleden gewerkt?- Levensomstandigheden en patiënt kenmerken (IQ, taal etc.)- Onderliggende patiënt kenmerken (reflectief vermogen, persoonlijkheidstrekken, angst- en frustratietolerantie)Behandelplan:- Overleg en onderhandeling- Wel of geen behandeling- Methode cq referentiekader- Setting (individueel, groep, partnerrelatie)- Praktische aspecten (tijd, eigen bijdrage)Behandelindicatie:- Middelengebruik abstinentie- Gericht op BPS- Let op vroegtijdige uitval (lage C)- Let op conflicten rond aantrekken en afstoten in werkrelatie
- K.J.K Classificatiesystemen: - Verbeteren de klinische bruikbaarheid: het verheldert het denken over het uiten en voorkomen van stoornissen, de prognoseen de behandelingen.- Maken de communicatie tussen gezondheidsprofessionals gemakkelijker.- Verbeteren onderzoek: het is gemakkelijker om theorieën, hypothesen en data te formuleren.Maar, ondanks dat classificatiesystemen kinderen voornamelijk behandelen als gelijk, heeft elk kind met symptomennatuurlijk ook een unieke situatie.
- KJK Categorische (klinische) classificatie - Identificeren van symptomen die gelijktijdig voorkomen en die het best begrepen worden door het een distincte stoornis tenoemenCategorische classificatie: neemt aan dat er groepen individuen zijn die ongeveer hetzelfde patroon vertonen in hun stoornis
- Advertisement
- De DSM KJK - De DSM is een voorbeeld van categorische classificatie- Is gelinkt aan het medisch model, die een aantal aannames maakt:1) Stoornissen zijn categorisch2) Stoornissen zijn geassocieerd met “constitutionele disfunctie” (= het kind faalt erin om zijn/haar gezonde gedrag te latenzien)3) Stoornissen zijn endogeen (een kenmerk van het individu; van binnenuit, dus niet het resultaat van individu-omgevingtransacties)- In de eerste versie van de DSM werd er slechts 1 jeugdstoornis erkend: adjustment reaction of childhood and adolescence,geplaatst onder ‘tijdelijke situationele stoornissen’. Dit werden er geleidelijk aan steeds meer (versies II t/m IV-TR).- Maar in de DSM-5 is er geen aparte as meer voor kinderstoornissen, die zijn geïntegreerd in de hele handleiding.- Grote verandering van DSM-IV naar DSM-5
- DSM voorbeeld depressie KJK 1. Depressie komt niet voor bij kinderen/ gaat vanzelf over> DSM-I t/m DSM-III: nog geen aandacht voor depressie kinderen2. Depressie in kindertijd zelfde verloop als bij volwassenen> DSM-III-R/DSM-IV-R: criterium periode symptomen 1 jaar i.p.v. 2 jaar voordat gesproken mag worden van MDD> Jongere kinderen vertonen niet de klassieke symptomen van een depressie (klassiek= bedroefd, anhedonie, negatieve zelfevaluatie);wel prikkelbaarheid en oppositionele gedragsproblemen3. Depressie in combinatie met gedragsproblemen> DSM-5: nieuwe stoornis < 18 jaar: disruptieve stemmings-disregulatiestoornis (DMDD)
- KJK Leeftijdsspecifieke signalen van depressie: > Baby’s: apathie, groeiachterstand, ontroostbaar huilen> Peuter/ kleuter: niet spelen, niet fantaseren, zeurderig, groeiachterstand (bij baby’s, peuters en kleuters is het erg somatisch)> 7-12 jaar: gevoel een slecht mens te zijn, negatieve gedachten over toekomst, denken aan de dood en zelfdoding (vanaf ditmoment komen er dus meer cognities binnen)> 12-18 jaar: gevoel een slecht mens te zijn, onvrede over uiterlijk, seksualiteit of relaties, plannen voor zelfdoding of daden,school weigeren, verminderde prestatiemotivatie
- KJK Cognitieve kenmerken van een depressie: Bij depressie denken kinderen vaak in een negatieve spiraal. > “Alles of niets” denken> Catastrofale gedachten> Geheugen en concentratie problemen> Aandachtsproblemen> Negatief beeld van zichzelf, de wereld en toekomst (‘triad’)> Automatisch denken> Negatieve attributiestijl (e.g. “ik doe altijd alles fout”)> Gevoelens van hulpeloosheid/ hopeloosheid> Lage zelfwaardering> Moeite om beslissingen te nemen> Gevoel controle te verliezen> Suïcidale gedachten
- KJK 13 Voorbeeld oppositioneel-opstandige gedragsstoornis (ODD) - Peuters hebben behoefte aan zichzelf duidelijk neerzetten (‘self-assertion’)- Problemen ontstaan wanneer confrontaties met de ouder uit de hand lopen en deze te strakke regels opstelt- Patronen van negatief, opstandig, ongehoorzaam en vijandig gedrag tegen autoriteitsfiguren (> 6 maanden)- Als ODD niet wordt behandelt, kan dit zich ontwikkelen naar conduct disorder (CD; gedragsstoornis), maar dat ís het dusnog niet→ DSM-5 Hoofdstuk Disruptieve, impulsbeheersing- en andere gedragsstoornissen Voorbeeld mogelijke etiologieIndividuele context:- Onveilige gehechtheid- Moeilijk temperament- Moeite om informatie te verwerken- Gezinsfactoren- Onaangepast ouderlijk gedrag (bijv. alcoholisme)- Instabiliteit gezinssituatie (bijv. echtscheiding, armoede)- Vage gedragsregels om gehoorzaamheid af te dwingen‘hou daar nu eens mee op’ vs. ‘ik vind het niet goed dat je je zusje slaat’- Negatieve attributies van ouders over gedrag kind
- KJK Voorbeeld disruptieve stemmingsdisregulatiestoornis (DMDD) Nieuw in de DSM-5!- Ernstige recidiverende driftbuien die disproportioneel zijn qua intensiteit en duur in relatie tot de situatie, aanleiding enontwikkelingsniveau- Gemiddeld drie keer of vaker in een week- Tussen de uitbarstingen is de stemming persisterend prikkelbaar of boos, gedurende het grootste deel van de dag en bijnaelke dag, en dit is door anderen waarneembaar→ Dit element is belangrijk: hierbij wordt het depressieve element erkent!- Bovenstaande duurt al 12 maanden of meer, en de symptomen zijn in minstens twee van de drie settings aanwezig (thuis,school, leeftijdgenoten) en zijn in minstens één van deze settings ernstig.
- KJK Problemen met diagnose van DMDD in de DSM-5: > Relevant kenmerk: niet-episodisch (chronisch)> Pathologiseren van normaal gedrag en toename kans op overmedicatie> Gebrek aan empirisch bewijs Elk classificatiesysteem heeft te kampen met betrouwbaarheid en validiteit.- Betrouwbaarheid: komen verschillende clinici tot hetzelfde oordeel over de classificatie?> Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid: twee of meer psychologen komen tot dezelfde beslissing> Test-hertest betrouwbaarheid: een kind wordt hetzelfde beoordeelt door dezelfde clinicus op verschillende momentenZeker voor chronische stoornissen is het belangrijk om stabiliteit en verandering te beschrijven.Een betrouwbaar classificatiesysteem beoordeelt een kind op zijn 3e met hetzelfde IQ als op zijn 10e (enige fluctuatiemogelijk). De DSM wordt steeds betrouwbaarder, doordat de criteria toenemen en meer ontwikkelingsdata wordttoegevoegd.- Validiteit: geeft het classificatiesysteem ons werkelijke, realistische en betekenisvolle informatie?> Interne validiteit: etiologie van de stoornis, kernpatronen van symptomen of moeilijkheden> Externe validiteit: de implicaties van de stoornisDe DSM is niet altijd even valide beoordeelt, alhoewel er categorieën zijn die meer valide zijn dan anderen.
- KJK Dimensionele (empirische) classificatie Een meer objectieve aanpak is ontstaan, mede door Achenbach (1997): het is een bottom-up proces van empirischeclassificatie, die het volgende omvat: 1) de verzameling van data van normale en abnormale kinderen, 2) het statistisch groeperen van de disfuncties inbetekenisvolle dimensies(De categorische, klinische aanpak is meer een top-down proces: eerst identificeer je de type stoornis en vervolgens ga je desymptomen pas specificeren.) - Een voorbeeld van een dimensionele, empirische classificatie is het DC 0-3R systeem
- KJK De empirische aanpak van Achenbach laat zien dat alle kinderen op de dimensie vallen en dat verschillen tussen kinderen,een verschil in kwantiteit van de dimensie zijn (en dus geen verschillen tussen soorten dimensies).- Voordelen van deze aanpak: minder categorieën, betere weerspiegeling van de realiteit van continue modellen van goede enslechte aanpassing.
- KJK 1. Externaliserende dimensie: te weinig controle resulterend in oppositioneel of agressief gedrag, gericht naar anderen
- 2. Internaliserende dimensie: KJK te veel controle resulterend in angst of sociale isolatie, gericht naar het zelf→ Het denken in deze dimensies, is vooral bij een eerste screening aan de hand.
- Andere subdimensies Achenbach KJK terugtrekken, somatische klachten, sociale problemen,gedachteproblemen, agressief gedrag, delinquent gedrag, aandachtsproblemen en angst/depressieproblemen.> Deze acht subdimensies nemen leeftijds- en genderverschillen ook in acht> Je kunt zowel óf externaliserende, óf internaliserende, óf een combinatie van beiden problemen hebben.Zie figuur 4.1, blz. 49: alleen kinderen met extreme scores op de dimensie(s) worden gediagnosticeerd met een stoornis
- Beslisboom voor kinderen en adolescenten: 1. Afwijkende ontwikkeling i.v.m. leeftijdgenoten2. Internaliserende of externaliserende problemen of beide3. Bijdrage omgeving: oorzakelijk, instandhoudend, sociale steunnetwerk4. Preventie/interventie: best practice of evidence-basedRecenter onderzoek laat een mix tussen de dimensionele en de categorische aanpak zien: een hiërarchische organisatie diezowel genetische- als omgevingsinvloeden in acht neemt. Zie figuur 4.2, blz. 49.- Hieruit kunnen overlappingen in de DSM categorieën worden verklaard en de importantie van de continuïteit van eenkinderstoornis tot in de volwassenheid.
- Ontwikkelingsbijdrage aan classificatiesystemen KJK - Om kinderstoornissen goed in kaart te kunnen brengen, is het van belang te weten welke ontwikkelingspatronen zichvoordoen bij kinderen: wat is normaal voor welke leeftijd en wat niet, hoe stabiel is het en hoe continu> Zie je vooral terug in oordelen over een ‘fixatie’, een ‘achterstand’ of ‘afwijking’
- Zero-to-Three systeem (DC 0-3R). KJK De DC 0-3R kijkt naar:> nauwe band tussen somatische en psychologische gezondheid> wisselwerking tussen gedrag van opvoeder en baby - De DSM is door één groep professionals tot stand gebracht, maar het 0-3 systeem heeft bijdragen van veel verschillendedisciplines (psychologisch, sociaal, onderwijs, medisch).- De 0-3 is categorisch, net als de DSM, maar veel meer gefocust op hele vroege stoornissen en veel explicieter in zijnontwikkelingsoriëntatie.- Er wordt aandacht besteed aan de relatie tussen kind en verzorger als mogelijke bron van de stoornis, de clinicus beoordeelt:1) de kwaliteit van de relatie, 2) de emotionaliteit in de relatie en 3) de mate van psychologische betrokkenheid.> Dit onderschrijft de uitspraak dat het beeld van zichzelf en de wereld van hele jonge kinderen, wordt gevormd door deomgeving.
- DSM-5: infant psychiatric disorders - In DSM-5 zitten problemen met slapen en eten> Insomnia> Avoidant/ restrictive food intake disorder- Problemen zoals prikkelbaarheid en bovenmatig huilenvragen om andere classificatiesystemen
- De DC 0-3R heeft vijf assen: KJK - As I: klinische stoornissen- As II: relatieclassificatie (PIR-GAS en RPCL-checklist relatieproblemen)- As III: medische aandoeningen- As IV: psychosociale stressoren (checklist)- As V: emotioneel en sociaal functioneren (scorelijst)
- Prevalentie van problemen op jonge leeftijd - 9-14% in de algemene bevolking; en zelfs 24% bij een lage SESVaak niet opgemerkt en niet behandeld- DC: 0-3R: veelvoorkomende problemen (regulatie, affect, relatie)
- De PIR-GAS KJK > Een schaal op de as II in de DC:0-3R om de kwaliteit van de relatie tussen ouder en jonge kinderen te coderen (lijkt opGAF-schaal)> Eerste versie 10-90 schaal; revisie 1-100 schaal> Drie hoofdclassificaties:→ Aangepaste relatie (80-100)→ Verstoorde relatie (40-79; ‘disturbed’)→ Gestoorde relatie (0-39; ‘disordered’)Onderzoeksresultaten:Observatie in 10 minuten niet valide i.v.m. hele intake en diagnostische fase.
- Mogelijke interventies bij regulatieproblemen KJK - Algemeen: infant-parent psychotherapie (IPP)- Prikkelbaarheid en bovenmatig huilen: psychoeducatie, hulp ouders, structureren dag- nachtritme, terugvalpreventie- Slaapproblemen: cognitieve gedragstherapie of IPP
- Advertisement
- Hoe kan classificatie verbeterd worden: KJK 1. Nadruk op ontwikkelingspaden en meer focus op de timing van het begin van de stoornis (laat of vroeg begin kan duidenop verschillende etiologie en is belangrijk voor de interventie)2. Focus op leeftijd, waarbij wordt gekeken naar de stoornis in de context van het ontwikkelingsstadium van het kind.3. Multilevel analyses gebruiken, zowel genetische, fysiologische, psychologische, familiaire en sociaal-culturele invloedenin acht nemen.
- Culturele bijdragen aan het classificatiesysteem KJK Cultuur beïnvloedt classificatie.- Worden bepaalde stoornissen wel erkend bij kinderen uit verschillende culturen?> Het huidige classificatiesysteem (en die acht subdimensies) lijkt/lijken robuust te zijn voor cultuurverschillen!
- Comorbiditeit 1. Comorbiditeit is, in zijn simpelste definitie, het gelijktijdig voorkomen van meerdere stoornissen in één persoon.2. Een andere definitie is dat het het gelijktijdig voorkomen van twee stoornissen is, waarbij dit voorkomen groter is dan kans(dus ze zijn gerelateerd aan elkaar en niet zomaar twee stoornissen). Zogenaamde ‘systematische comorbiditeiten’: zoalsADHD en een gedragsstoornis of autisme en een intellectuele stoornis, of depressie en angst. - Hoe je het ook definieert, comorbiditeit is de regel, niet de uitzondering.
- homotypische comorbiditeit (twee of meer diagnoses binnen één classificatiegroep, bijv. tweeangststoornissen)
- heterotypische comorbiditeit (een diagnose uit andere classificatiegroepen, bijv. depressie en eengedragsstoornis).
- concurrente comorbiditeit de stoornissen worden gelijktijdig ervaren)
- successieve comorbiditeit (de ene stoornis volgt de andere op).
- Foute beslissingen over comorbiditeit - Comorbiditeit wordt door veel factoren beïnvloedt en classificatiesystemen willen graag mensen in één klasse plaatsen,waarbij het unieke individu nogal eens over het hoofd gezien kan worden> Er kan dan een dubbele diagnose worden gemaakt, die eigenlijk niet helemaal juist is- Deze fouten worden gemaakt omdat de categorieën niet gedetailleerd genoeg zijn, veel overlap in symptomen vertonen enniet specifiek genoeg zijn- Het is vaak heel logisch om meer negatieve symptomen te vertonen naast de stoornis die werkelijk aanwezig is, maar dithoeft niet te betekenen dat dit ook gelijk een stoornis op zich is- De assessment tools kunnen ook voor problemen zorgen
- Juiste beslissingen over comorbiditeit - Eenzelfde onderliggende kwetsbaarheid kan een algemeen risico vormen voor meerdere stoornissen- Alles kan met elkaar in verbinding staan: een kind wat emoties niet goed kan herkennen, bouwt een slechte relatie met zijnouders op, en krijgt vervolgens een gedragsstoornis → dit is dan allemaal herleidbaar naar het emotieprobleem- Nottelmann & Jensen, aantal hypothesen over comorbiditeit:1) comorbide stoornissen zijn niet-specifieke uitingen van psychopathologie bij jonge kinderen2) comorbide stoornissen zijn een door ontwikkeling beïnvloedt, transient fenomeen; de ene stoornis kan een vroegemanifestatie van de ander zijn3) een comorbide stoornis ontwikkelt zich omdat de huidige stoornis het functioneren zodanig beperkt (successievecomorbiditeit)
- Assessment KJK systematisch verzamelen van relevante informatie, gebruikt om twee praktische problemen op te lossen:1. Differentiëren tussen alledaagse problemen en klinisch significante psychopathologie2. Classificeren en zorgen voor diegene die een stoornis hebben gediagnosticeerd gekregen- Het eerste probleem laat zien dat er nagedacht moet worden of diagnose überhaupt nodig is en is hetontwikkelingsperspectief zeer belangrijk- Het tweede probleem laat zien dat de methode van classificatie belangrijk is, omdat juiste classificatie behandeling encommunicatie bevordert; dit betekent dat er niet alleen informatie nodig is over wat het kind niet (meer) kan, maar ook juistover wat het kind wel kan.Intensiteit, frequentie, duur en patroon van de problemen moeten in kaart worden gebracht, en het is altijd van belang om tebedenken of de casus van het kind één bepaalde stoornis omvat, een gemixt patroon laat zien of comorbiditeit.- De DSM-5 laat clinici dan ook een differentiaal diagnose maken: beslissingen over wederzijds exclusieve categorieën vanstoornissen (bijvoorbeeld: een kind krijgt niet een diagnose van zowel ODD als DMDD, omdat de symptomen van ODD ookgecoverd zijn in DMDD)- Diagnostische efficiëntie:
- Diagnostische efficiëntie: de mate waarin clinici hun diagnostisch juiste beslissingen maximaliseren (en foutenminimaliseren)
- problemen Diagnostiek en Assessment KJK 1. Diagnosticeren is niet hetzelfde als de stoornis begrijpen (het is de eerste stap).2. Een diagnose is tijdsgebonden en omdat kinderen zich (snel) ontwikkelen, moet een diagnose altijd gerevalueerd worden.3. Labelen heeft een effect, zoals een selffulfilling prophecy of ouders die kinderen gaan zien als een ‘alfabet kind’ (een kindwat diagnose na diagnose krijgt.. eerst ADHD, dan ADD, dan ODD, etc.). MAAR: labelen kan ook een positief effecthebben! Het verlost ouders bijv. van het idee dat zij iets heel erg fout doen en geeft handvaten voor het aanpakken van hetprobleem.
- het interview KJK - Het assessment begint vrijwel altijd met een interview, zodat ouders/kinderen het probleem kunnen uitleggen en hunverhaal doen- Een interview biedt ook de kans om de hulprelatie op te gaan bouwen- Er zijn verschillende manieren en mensen om het interview mee te houden, en de clinici is geïnteresseerd in zowel deovereenkomsten als de verschillen tussen deze gesprekken- Interviews worden het liefst gedaan met beide ouders; maar het is altijd belangrijk om te beseffen dat de blik van ouders ophun kind beïnvloedt kan zijn door pathologie bij de ouders (die de problemen deels veroorzaakt)> Moeders en vaders leveren vaak net iets andere informatie; moeders rapporteren meer problemen dan vaders, en vadersletten meer op cognitieve moeilijkheden en problemen op school, terwijl moeders meer letten op relatieproblemen.> Culturele achtergrond is heel belangrijk om in het achterhoofd te houden: ouders uit andere culturen kunnen gevoeliger zijnvoor verschillendere problemen, reageren intenser hierop of juist niet- Interviews met de kinderen zelf is ook heel belangrijk, maar het interview kan erg verschillen: open vragen in een gesprek,heel gestructureerd, spelenderwijs, etc.> Overeenstemming en verschillen tussen ouder- en kind-perspectief is ook waardevolle informatieHet is dus belangrijk om vanuit meerdere bronnen je informatie te verzamelen, het is echter zelden zo dat de bronnen metelkaar overeenstemmen..> Vaak zijn adolescenten het sowieso niet eens met het beeld wat hun ouders van hun hebben, omdat ze niet graag naar depraktijk komen> Dit leidt ertoe dat het vaak niet lukt om tot één kernprobleem te komen> Het is niet afhankelijk van gender of leeftijd hoeveel overeenstemming er is tussen ouder en kindABC-model (Attribution Bias Context): ouders focussen zich meer op disposities in het kind, terwijl kinderen zich meerfocussen op externe verklaringen voor het probleem> Externe, observeerbare problemen hebben een hoger overeenstemmingspercentage> Clinici zijn het vaker eens met ouder dan met kind
- Welke vragen stel je aan een kind/adolescent? Vragen aan kind/ adolescent moeten ontwikkelingssensitief zijn!- In de vroege kindertijd:> Gebruik afwisselend open en gesloten vragen> Probeer niet teveel controle uit te oefenen> Niet te complex, gebruik hulpmiddelen zoals speelgoed- In de middle childhood (8-12 jr.):> Geen abstracte vragen, vraag overbekende plekken of activiteiten> Vermijd teveel oogcontact, geef context informatie of hulpmiddelen- In de adolescentie:> Aandacht voor emotionele labiliteit en stress, geen oordelen vanuit volwassen normen, respectvol
- Vragen aan collega hulpverleners - Demografische gegevens- Hulpverleningsgeschiedenis- Normen en waarden- Behandelbaarheid
- De gestandaardiseerde test KJK - Zijn ook bijna altijd onderdeel van een assessment- Data van een kind kunnen zo worden vergeleken met data van heel veel nadere kinderen, waarna resultaten in context vanleeftijd en gender worden besproken- Meestal zijn dit rating schalen, checklists en vragenlijsten die zowel door ouder als kind worden ingevuld (bijv. de ChildBehavior Check List om persoonlijkheid te meten)> Intelligentie en cognitie wordt bijv. gemeten met de WISC of de Stanford-Binet test- Er kunnen ook projectieve testen worden afgenomen (zoals te Rorschach of de TAT): deze testen zijn gebaseerd op deaanname dat een respons op een vage stimulus, een projectie is van iemands onbewuste conflicten> Zijn niet altijd even betrouwbaar en valide, maar kunnen bij kinderen een goede trigger zijn om toch ergens over te gaanpraten
- Observatie KJK - Observatie in een klinische setting zoals een praktijk, maar kan ook op school of thuis- Geeft veel info over wat voorafgaat aan en volgt op het disfunctionele gedrag, biedt dus veel contextGestructureerde observatietechnieken geven veel ontwikkelingscontext:- Bijv. de Disruptive Behavior Diagnostic Observation Schedule, is speciaal ontworpen om te terrible twos and threes teonderscheiden van meer serieus probleemgedrag- Het is bedoelt om de context specificiteit van het probleemgedrag te omvatten (bijv. alleen probleemgedrag op school)- Het is belangrijk om leraren en school te betrekken bij deze context en dus vullen zij ook vaak dezelfde vragenlijsten in,waaruit hetzelfde of iets verschillend kan komen (maar er kan natuurlijk altijd sprake zijn van bias; bijv. invloed door ras
- de Individuals with Disabilities Education Improvement Act (IDEA) dit zijn speciale onderwijscategorieën, maar zijn erg breed en kinderen binnen één categorielaten erg heterogene problemen zien> Kinderen met ADHD verbeteren bijv. vaak door een combinatie van zowel medicatie én interventies in het klaslokaal> Het kan aangeven dat kinderen behoefte hebben aan diensten die de school niet kan/beperkt kan leveren> Het functioneren van het kind op school is een belangrijke marker van de gezondheid van het kindDUS:> Ontwikkelingssensitieve kennis is nodig om de DSM-5 te kunnen gebruiken, eventueel aanvullen met DC: 0-3R.> Gebruik van brede diagnostiek (bijv. vragenlijsten naast intakegesprek) relevant voor multi-method, multi-informant,multi-setting aspecten aan ontwikkelingsproblematiek.> Het klinisch gesprek met kinderen en adolescenten vraagt een andere benadering dan die met volwassenen.
- biobehavioral shifts KJK Groei van kinderen wordt door drie biobehavioral shifts gekenmerkt → ‘touchpoints’1. 2-3 maanden: overgang van baarmoeder naar routines van eten, aankleden en troost krijgen2. 7-9 maanden: communicatie van gevoelens en intenties via gebaren en geluiden, spelen en via een dag-nachtritme3. 18-20 maanden: onafhankelijke exploratie van steeds wijdere omgeving via lopen en praten
- Temperament KJK Bovenstaande normatieve ontwikkeling is individueel verschillend door het temperament: constitutionele individueleverschillen in reactiviteit en zelfregulatie + basis voor persoonlijkheid→ Reactiviteit = excitabiliteit en responsiviteit→ Regulatie = wat het kind doet om zijn/haar reactiviteit te controleren