464
Niederländisch Vokabeln (Subject) / Allgemeines (Lesson)
Vokabeln für den Alltag
This lesson was created by Jade_19.
This lesson is not released for learning.
Advertisement
- die Nase de neus
- Der Sohn de zoon
- zählen tellen
- gehen gaan
- waschen wassen
- sehen zien
- bauen bouwen
- Regen regen
- dumm dom
- fahren rijden
- Advertisement
- früh vroeg
- Kopf de kop
- hören horen
- riechen ruijken
- Frühling voorjaar
- sitzen zitten
- liegen liggen
- Reise de reis
- Fehler fout
- wissen weten
- der Morgen ochtend
- dunkel donker
- billig goedkoop
- grau grijs
- schmutzig smerig
- krank ziek
- die Zahl getal
- wahr waar
- faul lui
- leise zacht
- Advertisement
- brauchen hoeven
- teuer duur
- Die Ankunft de aankomst
- ansehen bekijken
- hören/anhören luisteren naar
- Dialog, Dialoge de dialoog de dialogen
- worüber waarover
- reden praten
- Mensch Menschen de mens de mensen
- welche (-r,-s) welk(-e)
- der Satz de zin
- gehören zu horen bij
- nehmen nemen
- der Koffer de koffer
- ...., ne ...., hoor
- kommen komen
- gehen gaan
- lernen leren
- kennen kennen
- alle alles allerseits allemaal