464
Niederländisch Vokabeln (Subject) / Allgemeines (Lesson)
Vokabeln für den Alltag
This lesson was created by Jade_19.
This lesson is not released for learning.
Advertisement
- lesen mitlesen lezen meelezen
- danach daarna
- laut hardop
- Liebling de lieverd
- toll wie toll fijn wat fijn!
- wiedersehen weerzien
- die Freundin de vriendin
- von van
- hier hier
- in den Urlaub op vakantie
- Advertisement
- heißen heten
- woher waar...vandaan
- aus uit
- Schweiz Zwitserland
- wohnen wonen
- in der Nähe von in de buurt van
- zurück terug
- sehr heel
- müde moe
- die Frage die Fragen de vraag de vragen
- die Antwort die Antworten het antwoord de antwoorden
- einander zueinander elkaar bij elkaar
- der Kurs de cursus
- laufen herumlaufen lopen rondlopen
- besser beter
- ausfüllen invullen
- richtig juist
- der Zug de trein
- arbeiten werken
- dort, da daar
- Advertisement
- die Bank de bank
- oft vaak
- Belgien Belgie
- haben hebben
- sitzen sitten
- sitzen zitten
- gegenüber tegenover
- lang, lange lang
- immer altijd
- schlafen slapen
- sprechen aussprechen spreken uitspreken
- das Verb die Verben het werkwoord de werkwoorden
- verteilen verdelen
- die Silbe die Silben de lettergreep de lettergrepen
- die Rechtschreibung de spelling
- die Tabelle de tabel
- die Aufgabe de opdracht
- vollständig komplett volledig
- unregelmäßig onregelmatig
- mal, gerade, kurz even