Niederländisch (Fach) / Niederländisch Lektion 2 (Lektion)

In dieser Lektion befinden sich 137 Karteikarten

Vokabeln Lektion 2

Diese Lektion wurde von MrToobsen erstellt.

Lektion lernen

  • Wie geht es? Hoe gaat het?
  • Antwort het antwoord
  • dir/dich jou
  • gut goed
  • folgende volgende
  • positiv positief
  • negativ negatief
  • Reihenfolge de volgorde
  • Es geht (schon) Het gaat wel.
  • hervorragend uitstekend
  • nicht so gut niet so goed
  • total gut hartstikke goed
  • schlecht slecht
  • Oh, gut O, best
  • Person de persoon
  • laufen   lopen Ik loop je loopt zij lopen  
  • sie/ihnen hen
  • wie es ihnen geht hoe het met hen gaat
  • Wie geht es Ihnen / dir? Hoe gaat et met u / je?
  • mir/mich me (unbetont) mij (betont)
  • Patient(in) de patient
  • Frau vrouw
  • Tourist(in) de tourist (e)
  • Freund de vriend
  • zueinander bij elkaar
  • heute vandaag
  • Ferien de vakatie
  • arbeiten   werken Ik werk je werkt zij werken  
  • Glück haben boffen
  • Wetter het weer
  • Was sagts du? Wat zeg je?
  • sagen zeggen   Ik zeg je zegt zij zegen  
  • meinen bedoellen   Ik bedoel je bedoelt zij bedoelen  
  • ihr/euch jullie
  • schön/toll lekker
  • Niederländisch het Nederlands
  • bisschen beetje
  • meine Tochter mijn dochter
  • in der Nähe in de buurt
  • dürfen mogen Ik mag je/u mag  hij ze/zij het mag wij/jullie/zij mogen
  • unser(e) onze
  • nun, ach nou
  • machen maken Ik maak je/u maakt hij ze/zij het maakt wij/jullie/zij maken
  • Spanisch het Spaans
  • lernen leren Ik leer je/u leert hij ze/zij het leert wij/jullie/zij leren
  • Danke schön Dank u wel
  • versuchen proberen Ik probeer je/u probeert hij ze/zij het wij/jullie/zij proberen
  • Wer ist das? Wie is dat?
  • der/die/dasselbe dezelfde
  • Unterricht les