35

Nederlands (Subject) / Deel 3 Verben (Lesson)

verben aus textboek

This lesson was created by PaulZoklits.

Learn lesson

Advertisement
  • anziehen aantrekken trek aan; trekt aan; trekken aan trok aan; trokken aan heeft aangetrokken
  • mitfahren meerijden rijd mee; rijdt mee; rijden mee reed mee; reden mee meegereden
  • aufstehen opstaan sta op; staat op; staan op stond op; stonden op is opgestaan
  • putzen poetsen poets; poetst; poetsen poetste; poetsten gepoetst
  • stellen/platzieren stellen stel; stelt; stellen stelde; stelden gesteld
  • zuhausebleiben thuisblijven blijf thuis; blijft thuis; blijven thuis bleef thuis; bleven thuis thuisgebleven
  • nach Hause kommen thuiskommen kom thuis; komt thuis; komen thuis kwam thuis; kwamen thuis thuisgekomen
  • ausmachen/ausziehen uitdoen doe uit; doet uit; doen uit deed uit; deden uit uitgedaan
  • bedanken bedanken bedank; bendankt; bedanken bedankte; bedankten bedankt
  • glauben geloven geloof; gelooft; geloven geloofde; geloofden geloofd
  • Advertisement
  • hineinfahren inrijden rijd in; rijdt in; rijden in  reed in; reden in ingereden
  • überqueren oversteken steek over; steekt over; steken over stak over; staken over overgestoken
  • parken parkeren parkeer; parkeert; parkeren parkeerde; parkeerden; geparkeerd
  • stoppen stoppen stop; stopt; stoppen stopte, stopten gestopt
  • anschauen bekijken bekijk; bekijkt; bekijken bekeek; bekeken heeft bekeken
  • bezahlen betalen betaal; betaalt; betalen betaalde; betaalden betaald
  • hineingehen binnengaan ga binnen; gaat binnen; gaan binnen ging binnen; gingen binnen binnengegaan
  • kochen koken kook; kookt; koken kookte; kookten gekookt
  • kaufen kopen koop; koopt; koopen kocht; kochten gekocht
  • mitgehen meegaan ga mee; gaat mee; gaan mee ging mee; gingen mee meegegaan
  • mitkommen meekomen kom mee; komt mee; komen mee kwam mee; kwamen mee meegekomen
  • herumlaufen rondlopen loop rond; loopt rond; rond lopen liep rond; liepen rond rondgelopen
  • zeigen tonen toon; toont; tonen toonde; toonden; getoond
  • bauen bouwen bouw; bouwt; bouwen bouwde; bouwden gebouwd
  • teilen delen deel; deelt; delen deelde; deelden gedeeld
  • kennen kennen ken; kent; kennen kende; kenden gekend
  • ähneln/gleichen lijken lijk; lijkt; lijken lijkte; lijkten gelijkt
  • machen maken maak; maakt; maken maakte; maakten gemaakt
  • machen maken maak; maakt; maken maakte; maakten gemaakt
  • reisen reizen reis; reist; reizen reiste; reisten gereisd
  • Advertisement
  • sehen kijken kijk; kijkt; kijken keek; keken gekeken
  • liegen liggen lig; ligt; liggen lag; lagen gelegen
  • nehmen nemen neem; neemt; nemen nam; namen genomen
  • sollen/ werden zullen zal; zal/zult; zullen zou; zouden
  • drücken drukken druk; drukt; drukken drukte; drukten gedrukt