35
Nederlands (Fach) / Deel 3 Verben (Lektion)
Anzeige
- anziehen aantrekken trek aan; trekt aan; trekken aan trok aan; trokken aan heeft aangetrokken
- mitfahren meerijden rijd mee; rijdt mee; rijden mee reed mee; reden mee meegereden
- aufstehen opstaan sta op; staat op; staan op stond op; stonden op is opgestaan
- putzen poetsen poets; poetst; poetsen poetste; poetsten gepoetst
- stellen/platzieren stellen stel; stelt; stellen stelde; stelden gesteld
- zuhausebleiben thuisblijven blijf thuis; blijft thuis; blijven thuis bleef thuis; bleven thuis thuisgebleven
- nach Hause kommen thuiskommen kom thuis; komt thuis; komen thuis kwam thuis; kwamen thuis thuisgekomen
- ausmachen/ausziehen uitdoen doe uit; doet uit; doen uit deed uit; deden uit uitgedaan
- bedanken bedanken bedank; bendankt; bedanken bedankte; bedankten bedankt
- glauben geloven geloof; gelooft; geloven geloofde; geloofden geloofd
- Anzeige
- hineinfahren inrijden rijd in; rijdt in; rijden in reed in; reden in ingereden
- überqueren oversteken steek over; steekt over; steken over stak over; staken over overgestoken
- parken parkeren parkeer; parkeert; parkeren parkeerde; parkeerden; geparkeerd
- stoppen stoppen stop; stopt; stoppen stopte, stopten gestopt
- anschauen bekijken bekijk; bekijkt; bekijken bekeek; bekeken heeft bekeken
- bezahlen betalen betaal; betaalt; betalen betaalde; betaalden betaald
- hineingehen binnengaan ga binnen; gaat binnen; gaan binnen ging binnen; gingen binnen binnengegaan
- kochen koken kook; kookt; koken kookte; kookten gekookt
- kaufen kopen koop; koopt; koopen kocht; kochten gekocht
- mitgehen meegaan ga mee; gaat mee; gaan mee ging mee; gingen mee meegegaan
- mitkommen meekomen kom mee; komt mee; komen mee kwam mee; kwamen mee meegekomen
- herumlaufen rondlopen loop rond; loopt rond; rond lopen liep rond; liepen rond rondgelopen
- zeigen tonen toon; toont; tonen toonde; toonden; getoond
- bauen bouwen bouw; bouwt; bouwen bouwde; bouwden gebouwd
- teilen delen deel; deelt; delen deelde; deelden gedeeld
- kennen kennen ken; kent; kennen kende; kenden gekend
- ähneln/gleichen lijken lijk; lijkt; lijken lijkte; lijkten gelijkt
- machen maken maak; maakt; maken maakte; maakten gemaakt
- machen maken maak; maakt; maken maakte; maakten gemaakt
- reisen reizen reis; reist; reizen reiste; reisten gereisd
- Anzeige
- sehen kijken kijk; kijkt; kijken keek; keken gekeken
- liegen liggen lig; ligt; liggen lag; lagen gelegen
- nehmen nemen neem; neemt; nemen nam; namen genomen
- sollen/ werden zullen zal; zal/zult; zullen zou; zouden
- drücken drukken druk; drukt; drukken drukte; drukten gedrukt