29
Niederländisch Vokabeln (Subject) / Vokabeln 1B- E (Lesson)
Advertisement
- ausfüllen invullen
- richtig juist
- mit met
- Zug de trein
- dort, da daar
- bei bij
- Bank de bank
- aber maar
- oft vaak
- Belgien België
- Advertisement
- haben hebben
- Freund de vriend
- sitzen zitten
- gegenüber tegenover
- lang, lange lang
- dann dan
- immer altijd
- schlafen slapen
- Präsens de onvoltooid tegenwoordige tijd
- Präsens het presens
- finite Verbform, finite Verbformen de persoonsvorm, de persoonsvormen
- schon al
- sprechen, aussprechen spreken, uitspreken
- Verb, Verben het werkwoord, de werkwoorden
- verteilen verdelen
- Silbe, Silben de lettergreep, de lettergrepen
- Rechtschreibung de spelling
- offen open
- geschlossen gesloten