33

Nederlands (Subject) / Deel 4 Verben (Lesson)

Deel 4 Verben

This lesson was created by PaulZoklits.

Learn lesson

Advertisement
  • nachdenken nadenken denk na; denkt na; denken na dacht na; dachten na nagedacht
  • scheinen schijnen schijn; schijnt; schijnen scheen; schenen geschenen
  • fliegen vliegen vlieg; vliegt; vliegen vloog; vlogen gevlogen
  • bestellen bestellen bestel; bestelt; bestellen bestelde; bestelden besteld
  • werfen gooien gooi; gooit; gooien gooide; gegooid
  • lieben houden van houd; houdt; houden hield; hielden gehouden
  • meinen menen meen; meent; menen meende; meenden gemeend
  • haben hebben heb; hebt; heeft; hebben had; hadden geheeft
  • angeben/anzeigen angeven geef aan; geeft aan; geven aan gaf aan; gaven aan aangegeven
  • nennen noemen noem; noemt; noemen noemde; noemden genoemd
  • Advertisement
  • aufmachen/öffnen openmaken maak open; maakt open; maken open maakte open; maakten open opengemaakt
  • zurückfinden terugvinden vind terug; vindt terug; vinden terug  vond terug; vonden terug teruggevonden
  • rauchen roken rook; rookt; roken rookte; rookten gerookt
  • beginnen beginnen begin; begint; beginnen begon; begonnen begonnen
  • begreifen begrijpen begrijp; begrijpt; begrijpen begreep; begrepen begrepen
  • (auf)hängen hangen hang; hangt; hangen hing; hingen gehangen
  • packen/greifen pakken pak; pakt; pakken pakte; pakten gepakt
  • stehen staan sta; staat; staan stond; stonden gestaan
  • verstehen verstaan versta; verstaat; verstaan verstond; verstonden verstaan
  • verabreden/ vereinbaren spreek af; spreekt af; spreken af sprak af; spraken af afgesproken
  • hören horen hoor; hoort; horen hoorde; hoorden gehoord
  • interessieren interesseren interesser; interesseert; interesseren interesseerde; interesseerden geinteresseerd
  • kosten kosten kost; kosten kostte; kostten gekost
  • laufen lopen loop; loopt; lopen liep; liepen; gelopen
  • halb so schlimm sein meevallen val mee; valt mee; vallen mee viel mee; vielen mee meegevallen
  • lügen liegen lieg; liegt; liegen look; logen gelogen
  • enttäuschen tegenvallen val tegen; valt tegen; vallen tegen viel tegen; vielen tegen tegengevallen
  • ausmachen, bilden uitmaken maak uit; maakt uit; maken uit maakte uit; maakten uit uitgemaakt
  • meinen bedoelen bedoel; bedoelt; bedoelen bedoelde; bedoelden bedoeld
  • leben leven leef; leeft; leven leefde; leefden geleefd
  • Advertisement
  • mitnehmen meenemen neem mee; neemt mee; nemen mee nam mee; namen mee meegenommen
  • hereinkommen binnenkomen kom binnen; komt binnen; komen binnen kwam binnen; kwamen binnen binnengekomen
  • schreiben schrijven schrijf; schrijft; schrijven schreef; schreven geschreven