33
Nederlands (Subject) / Deel 4 Verben (Lesson)
Advertisement
- nachdenken nadenken denk na; denkt na; denken na dacht na; dachten na nagedacht
- scheinen schijnen schijn; schijnt; schijnen scheen; schenen geschenen
- fliegen vliegen vlieg; vliegt; vliegen vloog; vlogen gevlogen
- bestellen bestellen bestel; bestelt; bestellen bestelde; bestelden besteld
- werfen gooien gooi; gooit; gooien gooide; gegooid
- lieben houden van houd; houdt; houden hield; hielden gehouden
- meinen menen meen; meent; menen meende; meenden gemeend
- haben hebben heb; hebt; heeft; hebben had; hadden geheeft
- angeben/anzeigen angeven geef aan; geeft aan; geven aan gaf aan; gaven aan aangegeven
- nennen noemen noem; noemt; noemen noemde; noemden genoemd
- Advertisement
- aufmachen/öffnen openmaken maak open; maakt open; maken open maakte open; maakten open opengemaakt
- zurückfinden terugvinden vind terug; vindt terug; vinden terug vond terug; vonden terug teruggevonden
- rauchen roken rook; rookt; roken rookte; rookten gerookt
- beginnen beginnen begin; begint; beginnen begon; begonnen begonnen
- begreifen begrijpen begrijp; begrijpt; begrijpen begreep; begrepen begrepen
- (auf)hängen hangen hang; hangt; hangen hing; hingen gehangen
- packen/greifen pakken pak; pakt; pakken pakte; pakten gepakt
- stehen staan sta; staat; staan stond; stonden gestaan
- verstehen verstaan versta; verstaat; verstaan verstond; verstonden verstaan
- verabreden/ vereinbaren spreek af; spreekt af; spreken af sprak af; spraken af afgesproken
- hören horen hoor; hoort; horen hoorde; hoorden gehoord
- interessieren interesseren interesser; interesseert; interesseren interesseerde; interesseerden geinteresseerd
- kosten kosten kost; kosten kostte; kostten gekost
- laufen lopen loop; loopt; lopen liep; liepen; gelopen
- halb so schlimm sein meevallen val mee; valt mee; vallen mee viel mee; vielen mee meegevallen
- lügen liegen lieg; liegt; liegen look; logen gelogen
- enttäuschen tegenvallen val tegen; valt tegen; vallen tegen viel tegen; vielen tegen tegengevallen
- ausmachen, bilden uitmaken maak uit; maakt uit; maken uit maakte uit; maakten uit uitgemaakt
- meinen bedoelen bedoel; bedoelt; bedoelen bedoelde; bedoelden bedoeld
- leben leven leef; leeft; leven leefde; leefden geleefd
- Advertisement
- mitnehmen meenemen neem mee; neemt mee; nemen mee nam mee; namen mee meegenommen
- hereinkommen binnenkomen kom binnen; komt binnen; komen binnen kwam binnen; kwamen binnen binnengekomen
- schreiben schrijven schrijf; schrijft; schrijven schreef; schreven geschreven