125
Niederländisch (Subject) / Lektion 1 (Lesson)
Advertisement
- het land das Land (Staat)
- aanwijzen zeigen
- zeggen sagen
- welk(e) welche(r/s)
- de taal die Sprache
- ze they
- daar dort
- zijn sein (Verb, Possesivpronomen)
- hij he
- Engeland England
- Advertisement
- Spanje Spanien
- praten reden
- de straat die Straße
- vertellen erzählen
- ander(e) andere(r/s)
- vragen fragen
- gaan to go
- met mit
- alles alles
- goed gut
- mij mir/mich
- uitstekend ausgezeichnet
- zo so
- slecht schlecht
- krijgen kriegen/bekommen
- het woord das Wort
- lopen gehen/laufen
- zien sehen
- moeten müssen
- raden raten
- Advertisement
- nieuw neu
- de groep die Gruppe
- ja ja
- kloppen klopfen
- Dat klopt Das stimmt
- leuk witzig/nett/hübsch
- een beetje ein bisschen
- moe müde
- ook auch
- nee nein
- het getal die Zahl
- nul, een, twee null, eins, zwei
- drie, vier, vijf drei, vier, fünf
- zes, zeven, acht sechs, sieben, acht
- negen, tien neun, zehn
- het telefoonnummer die Telefonnummer
- geven geben
- zoeken suchen
- hebben haben
- tekenen zeichnen