20
Niederländisch (Subject) / Niederländisch B1 (Lesson)
Vokabeln auf der Stufe B1
This lesson was created by Surilein.
This lesson is not released for learning.
Advertisement
- aanraken, raakte aan, aangeraakt berühren
- aan kant aufgeräumt
- het aanbod; geen meervoud Angebot
- aandacht (besteden aan) Aufmerksamkeit (widmen/schenken)
- aanduiden, duidde aan, aangeduid bezeichnen, andeuten
- aaneenschakelen aneinanderreihen, verketten
- aangeboren angeboren
- aangeleerd angelernt
- aangifte doen, deed, gedaan Anzeige erstatten
- aanhef, aanheffen Anrede
- Advertisement
- aanhouden, hield aan, aangehouden verhaften
- aankop, aankopen Einkauf (en)
- aanleggen, legde aan, aangelegt anlegen, bauen
- aanleiding, aanleidingen Anlass, Veranlassung
- aanlopen tegen begegnen
- aanmaken herstellen, anfertigen
- aanraking (in- komen met) Bekanntschaft machen
- aanschaffen erwerben, anschaffen
- aantekeningen maken Notizen machen
- aanvang Anfang, Beginn