150

Niederländisch (Subject) / Lektion 11 (Lesson)

We gaan verhuizen

This lesson was created by CaroleZ.

Learn lesson

This lesson is not released for learning.

Advertisement
  • beobachten gadeslaan
  • Einrichtung de inrichting
  • bewunderen bewonderen
  • scheinen schijnt (schijnen)
  • Neugier de nieuwsgierigheid
  • stören storen
  • im Gegenteil integendeel
  • Mitwisser de deelgenoot
  • Offenheit de openheid
  • sympathisch sympathiek
  • Advertisement
  • Platz de ruimte
  • übrig bleiben overblijft (overblijven)
  • funktionell functioneel
  • Grund de reden
  • Gefühl het gevoel
  • Verhältnis de verstandhouding
  • herzlich hartelijk
  • steil steil
  • schmal smal
  • Treppe  de trap
  • oberst bovenst
  • malerisch pittoresk
  • leiten, führen leiden
  • aufgefallen opgevallen (opvallen)
  • um Himmels Willen in hemelsnaam
  • Hochbett de hoogslaper
  • winzig piepklein
  • Studentenbude het studentenkamertje
  • Aussenseite de buitenkant
  • Abendspaziergang de avondwandeling
  • Advertisement
  • durchschnittlich doorsnee
  • Theorie de theorie
  • kleine Terrasse het terrasje
  • Architekt de architect
  • Auftraggeber de opdrachtgever
  • Gesellschaft het gezelschap
  • zahllos talloos
  • Konditorei de lunchroom
  • Süden het Zuiden
  • regnen regent (regenen)
  • wehen waait (waaien)
  • hauptsächlich voornamelijk
  • im Haus binnenhuis
  • Aussenwelt de buitenwereld
  • Bewohner de bewoner
  • geschehen gebeurt (geburen)
  • Verpassen missen
  • Wirkung, Effekt het effect
  • verstärken versterken (versterkt)
  • lassen laten