There are 97 cards in this lesson
Lektion 6
This lesson was created by Rita11.
Learn lesson
back |
next
1
/
2
-
gisteren
gestern
-
gedaan (doen)
tun
-
gezegd (zeggen)
sagen
-
gegaan (gaan)
gehen
-
hoezo
wieso?
-
de specialiteit
Spezialität
-
gevraagd (vragen)
fragen
-
de werkwoordsvorm
Verbform
-
de cartoon
Cartoon
-
de infinitief
Infinitiv
-
het perfectum
Perfekt, zusammengesetze Vergangenheit
-
zo'n dag
so ein Tag
-
gehad (hebben)
haben
-
opgestaan (opstaan)
aufstehen
-
waarom
warum?
-
de kleren
Kleider
-
-
aangetrokken (aantrekken)
anziehen
-
m'n
mein
-
de sokken
Socken
-
tenminste
(hier:) wenigstens
-
gezet (zetten)
machen, kochen
-
de hemel
Himmel
-
terug
zurück
-
niets
nichts
-
gegeten (eten)
essen
-
de sleutel
Schlüssel
-
zoeken (gezocht)
suchen
-
de reserve
Reserve
-
kopen (gekocht)
kaufen
-
nat
feucht, nass
-
het tuinpad
Gartenweg
-
uitgegleden (uitglijden)
ausrutschen
-
-
de bus
Autobus
-
weggereden (wegrijden)
wegfahren
-
toen
(hier:) dann
-
nemen (genomen)
nehmen
-
alles
alles
-
zijn (geweest)
sein
-
de lekke band
Platten (Fahrrad)
-
het feest
Fest
-
zoiets
so etwas
-
vlug
schnell, rasch
-
repareren (gerepareerd)
reparieren
-
leren (geleerd)
lernen
-
de lift
Mitfahrgelegenheit
-
ach
ach
-
thuisblijven (thuisgebleven)
zu Hause bleiben
-
het gedicht
Gedicht
-
het participium
Partizip
-
het werkwoord
Verb, Tätigkeitswort
-
back |
next
1
/
2