97

Niederländisch (Subject) / Lektion 6 (Lesson)

-

This lesson was created by CaroleZ.

Learn lesson

This lesson is not released for learning.

Advertisement
  • fahren rijden 
  • Gruppe de groep 
  • Hilfsverb het hulpwerkwoord 
  • vorig, letzt vorig 
  • vorgestern eergisteren 
  • vor zwei Wochen twee weken geleden 
  • Spielplatz de speeltuin 
  • kochen koken 
  • Kino de bioscoop 
  • Rad fahren fietsen 
  • Advertisement
  • Zeitung gelesen (Zeitung lesen) de krant gelezen (de krant lezen)
  • gesehen (sehen) gekeken (gekijkt) 
  • getroffen (treffen) ontmoet (ontmoeten) 
  • sich ausgedacht haben (sich ausdenken) verzint (verzinnen) 
  • Ausrede het smoesje 
  • gestern Abend gisteravond 
  • Verabredung de afspraak 
  • Miss de miss 
  • Königin de koningin 
  • Preis de prijs 
  • Lotterie de loterij 
  • gewonnen (gewinnen) gewonnen (winnen) 
  • besucht (besuchen) bezocht (bezoeken) 
  • Abschlussprüfung, Abitur het eindexamen 
  • erster oudst
  • umgezogen (umziehen) verhuisd (verhuizen) 
  • zu Hause thuis 
  • geblieben (bleiben) gebleven (blijven) 
  • bekam (bekommen) gekregen (krijgen) 
  • umgebaut (umbauen) verbouwd (verbouwen) 
  • Advertisement
  • ohne zonder
  • nennen noemen 
  • raten raden 
  • wer gemeint ist wie er bedoled is 
  • Geburtstagskalender de verjaardagskalender 
  • gehängt (hängen) hangt (hangen) 
  • Innenseite de binnenkant 
  • Tür de deur 
  • Kalender de kalender 
  • Geburtstag de verjaardag 
  • echt, wirklich echt
  • geworden (werden) wordt (worden) 
  • enge Familie het gezin 
  • gratuliert (gratulieren) gefeliciteerd (feliciteren) 
  • Geburtstagkind de jarige 
  • Geschenk het cadeau 
  • Herzlichen Glückwunsch zum Geburtstag! Hartelijk gefeliciteerd met je verjaardag!