97
Niederländisch Vokabeln (Subject) / familie (Lesson)
Advertisement
- vader Vater
- schoonmoeder Schwiegermutter
- dochter Tochter
- schoonzoon Schwiegersohn
- zoon Sohn
- kleinzoon Enkel, Enkelsohn
- zwager Schwager
- echtpaar Ehepaar
- grootouders Großeltern
- kleinkind Enkelkind, Enkel
- Advertisement
- schoonouders Schwiegereltern
- neef Neffe, Cousin
- schoonzus Schwägerin
- schoondochter Schwiegertochter
- gezin Familie
- stamboom Stammbaum
- belangrijk wichtig
- kleur Farbe
- rood rot
- geel gelb
- groen grün
- zwart schwarz
- oranje orange
- wit weiß
- bruin braun
- bezoeken besuchen
- volwassene Erwachsene(r)
- groep Gruppe
- verwennen verwennen
- beleven erleben
- Advertisement
- prettig angenehm, schön
- sfeer Atmosphäre
- wens Wunsch
- geopend geöffnet
- versturen verschicken
- helpen helfen
- sinds seit
- vlakbij ganz in der Nähe
- straks nachher
- ver weit
- genoeg genug, genügend
- verbeteren verbessern
- tijd Zeit
- trots Stolz
- rouw Trauer
- verstandig vernünftig
- onrustig unruhig