40
Nederlands (Fach) / Deel 5 Verben (Lektion)
Anzeige
- Rad fahren fietsen fiets; fietst; fietsen fietste; fietsten gefietst
- begehen gaan over ga over; gaat over; gaan over ging over; gingen over overgegaan
- lachen lachen lach; lacht; lachen lachte; lachten gelachen
- lassen laten laat; laaten liet; lieten gelaten
- lernen leren leer; leert; leren leerde; leerden geleerd
- (zu)hören luisteren luister; luistert; luisteren luisterde; luisterden geluisterd
- Tennisspielen tennissen tennis; tennist; tennissen tenniste; tenisten getennist
- Fußballspielen voetballen voetbal; voetbalt; voetballen voetbalde; voetbalden gevoetbald
- warten wachten wacht; wachten wachtte; wachtten gewacht
- wollen willen wil; wilt; willen wilde; wilden gewild
- Anzeige
- schwimmen zwemmen zwem; zwemt; zwemmen zwom; zwommen; gezwommen
- beschließen beslissen beslis; beslist; beslissen besliste; beslisten beslist
- träumen dromen droom; droomt; dromen droomde; droomden gedrommd
- hassen haten haat; haten haatte; haatten gehaat
- hineingehen inlopen loop in; loopt in; lopen in liep in; liepen in ingelopen
- klarmachen klaarmaken maak klaar; maakt klaar; maken klaar maakte klaar; maakten klaar klaargemaakt
- anrufen opbellen bel op; belt op; bellen op belde op; belden op obgebeld
- Klavier spielen pianospelen speel piano; speelt piano; spelen piano speelde piano; speelden piano pianogespeeld
- spielen spelen speel; speelt; spelen speelde; speelden gespeeld
- singen zingen zing; zingt; zingen zong; zongen gezongen
- aufnehmen, hochnehmen opnemen neem op; neemt op; nemen op nam op; namen op opgenomen
- probieren proberen probeer; probeert; proberen probeerde; probeerden geprobeerd
- einkaufen winkelen winkel; winkelt; winkelen winkelde; winkelden gewinkeld
- abwaschen afwassen was af; wast af; wassen af waste af; wasten af afgewast
- versprechen beloven beloof; belooft; beloven beloofde; beloofden beloofd
- bringen brengen breng; brengt; brengen bracht; brachten gebracht
- geschehen gebeuren gebeurt; gebeuren gebeurde; gebeurden gebeurd
- reden praten praat; praten praatte; praatten gepraat
- vergessen vergeten vergeet; vergeten vergat; vergaten vergeten
- einkaufen boedschappen doen doe boodschappen; doet boodschappen; doen boodschappen deed; boodschappen; deden boodschappen boodschappen gedaan
- Anzeige
- bedeuten betekenen beteken; betekent; betekenen betekende; betekenden betekend
- einfahren binnenrijden rijd binnen; riijdt binnen; rijden binnen reed binnen; reden binnen binnengereden
- leiten leiden leid; leidt; leiden leidde; leidden geleid
- zusammenkommen samenkomen kom samen; komt samen; komen samen kwam samen; kwamen samen samengekomen
- sein zijn ben; bent; is; zijn was; waren geweest
- plaudern babbelen babbel; babbelt; babbeln babbelde; babbelden gebabbeld
- auslegen/erläutern uitleggen leg uit; legt uit; leggen uit legde uit; legden uit uitgelegd
- enstehen onstaan onsta; onstaat; onstaan onstond; ontstonden ongestaan
- malen/pinseln schilderen schilder; schildert; schilderen schilderde; schilderden geschilderd
- fühlen/empfinden voelen voel; voelt; voelen voelde; voelden gevoeld