40

Nederlands (Fach) / Deel 5 Verben (Lektion)

Deel 5 verben

Diese Lektion wurde von PaulZoklits erstellt.

Lektion lernen

Anzeige
  • Rad fahren fietsen fiets; fietst; fietsen fietste; fietsten gefietst
  • begehen gaan over ga over; gaat over; gaan over ging over; gingen over overgegaan
  • lachen lachen lach; lacht; lachen lachte; lachten gelachen
  • lassen laten laat; laaten liet; lieten gelaten
  • lernen leren leer; leert; leren leerde; leerden geleerd
  • (zu)hören luisteren luister; luistert; luisteren luisterde; luisterden geluisterd
  • Tennisspielen tennissen tennis; tennist; tennissen tenniste; tenisten getennist
  • Fußballspielen voetballen voetbal; voetbalt; voetballen voetbalde; voetbalden gevoetbald
  • warten wachten wacht; wachten wachtte; wachtten gewacht
  • wollen willen wil; wilt; willen wilde; wilden gewild
  • Anzeige
  • schwimmen zwemmen zwem; zwemt; zwemmen zwom; zwommen; gezwommen
  • beschließen beslissen beslis; beslist; beslissen besliste; beslisten beslist
  • träumen dromen droom; droomt; dromen droomde; droomden gedrommd
  • hassen haten haat; haten haatte; haatten gehaat
  • hineingehen inlopen loop in; loopt in; lopen in liep in; liepen in ingelopen
  • klarmachen klaarmaken maak klaar; maakt klaar; maken klaar maakte klaar; maakten klaar klaargemaakt
  • anrufen opbellen bel op; belt op; bellen op belde op; belden op obgebeld
  • Klavier spielen pianospelen speel piano; speelt piano; spelen piano speelde piano; speelden piano pianogespeeld
  • spielen spelen speel; speelt; spelen speelde; speelden gespeeld
  • singen zingen zing; zingt; zingen zong; zongen gezongen
  • aufnehmen, hochnehmen opnemen neem op; neemt op; nemen op nam op; namen op opgenomen
  • probieren proberen probeer; probeert; proberen probeerde; probeerden geprobeerd
  • einkaufen winkelen winkel; winkelt; winkelen winkelde; winkelden gewinkeld
  • abwaschen afwassen was af; wast af; wassen af waste af; wasten af afgewast
  • versprechen beloven beloof; belooft; beloven beloofde; beloofden beloofd
  • bringen brengen breng; brengt; brengen bracht; brachten gebracht
  • geschehen gebeuren gebeurt; gebeuren gebeurde; gebeurden gebeurd
  • reden praten praat; praten praatte; praatten gepraat
  • vergessen vergeten vergeet; vergeten vergat; vergaten vergeten
  • einkaufen boedschappen doen doe boodschappen; doet boodschappen; doen boodschappen deed; boodschappen; deden boodschappen boodschappen gedaan
  • Anzeige
  • bedeuten betekenen beteken; betekent; betekenen betekende; betekenden betekend
  • einfahren binnenrijden rijd binnen; riijdt binnen; rijden binnen reed binnen; reden binnen binnengereden
  • leiten leiden leid; leidt; leiden leidde; leidden geleid
  • zusammenkommen samenkomen kom samen; komt samen; komen samen kwam samen; kwamen samen samengekomen
  • sein zijn ben; bent; is; zijn was; waren geweest
  • plaudern babbelen babbel; babbelt; babbeln babbelde; babbelden gebabbeld
  • auslegen/erläutern uitleggen leg uit; legt uit; leggen uit legde uit; legden uit uitgelegd
  • enstehen onstaan onsta; onstaat; onstaan onstond; ontstonden ongestaan
  • malen/pinseln schilderen schilder; schildert; schilderen schilderde; schilderden geschilderd
  • fühlen/empfinden voelen voel; voelt; voelen voelde; voelden gevoeld