409
Klinische lessen (Fach) / Tentamen (Lektion)
Anzeige
- Cognitieve gedragstherapie (CGT) stemmingstoornis Twee doelen: veranderen van negatieve patronen + concrete problemen helpen oplossen en vaardigheden ontwikkelen1. Negatieve, automatische gedachtes identificeren2. Uitdagen van negatieve gedachten (laten inzien dat er meerdere interpretaties van situaties mogelijk zijn)3. Helpen van herkennen van diepere overtuigingen of aannames die hun depressie voeden (‘Ik kan helemaal niks’, ‘Iedereenvind mij dom’)→ Coping aanleren
- Interpersonele therapie (IPT) stemmingstoornis → Vier typen problemen ontdekken: rouw/verlies, interpersonele rol geschillen, rolveranderingen, interpersonelevaardigheden problemen
- Interpersoonlijke en sociale ritme therapie (ISRT): speciaal voor bipolaire stoornis waarbij focus ligt op routines makenen behouden en stabiliteit in relaties
- Family-focused therapie (FFT): patiënt en familie worden onderwezen over de stoornis en leren communicatie en copingElke vorm van behandeling is ongeveer even effectief, maar een combinatie van behandelingen is vaak nog effectiever
- Genderverschillen Suïcide - Vrouwen doen veel vaker pogingen tot suïcide- Mannen voltooien het vaker→ Mannen kiezen vaak dodelijkere methodes (meer dan de helft gebruikt een wapen), terwijl vrouwen vaker kiezen voorvergiftiging→ Mannen zijn vaak zekerder van hun keuze dat ze dood willen
- Etnische verschillen Suïcide - Verschillen in prevalentie tussen culturen en regio’s, door religieuze normen- Bijv. het geloof aanhangen wat suïcide verbiedt is een beschermingsfactor
- Suïcide bij kinderen en adolescenten - Suïcide gedachtes en pogingen nemen toe met de jaren, komt door toename van psychopathologie en toename vancontemplatie (denken aan suïcide)- Ook hierin geldt het genderverschil- Homo- en biseksuelen hebben hogere prevalentie
- Oudere volwassenen Suicide - Vooral oudere mannen hebben groot risico (vooral boven de 85)- Ouderen hebben vaak echte intentie tot overlijden en slagen dus ook vaker- Kan komen door verlies van partner of ziek worden
- Niet-suïcidale zelfbeschadiging NSSI: NSSI: snijden, verbranden, prikken met naalden of op welke manier dan ook zichzelf pijnigen zonder de intentie totoverlijden → hebben wel verhoogd risico op suïcide- Claimen dat zien van bloed en voelen van pijn de spanning doet verminderen- Krijgen steun en aandacht van anderen
- Historische perspectieven Suïcide - Freud: depressieven uiten woede op zichzelf i.p.v. anderen- Durkheim: drie typen suïcide →1. Egoïstische suïcide: gepleegd door mensen die zich buitengesloten voelen en geen sociale contacten hebben2. Anomische suïcide: gepleegd door mensen die desoriëntatie ervaren door veranderingen in sociale relaties3. Altruïstische suïcide: gepleegd door mensen die geloven dat hun afwezigheid een voordeel is voor de maatschappij→ Deze theorie suggereert de importantie van sociale verbanden/steun
- Anzeige
- Psychologische stoornissen suïcide - 90% van mensen die suïcide plegen heeft een diagnosticeerbare stoornis- Depressie verhoogt kans 6x en bipolair 7x- Beste voorspeller is eerdere suïcidale gedachten en gedrag
- Stressvolle levensgebeurtenissen suiceide Verhoogde kans op suïcide bij het meemaken van:- Seksuele mishandeling (meest geassocieerd met suïcide pogingen en gedachtes)- Verlies van naaste door dood/scheiding/separatie- Economische omstandigheden (baanverlies bijv.)- Fysieke ziektes
- - Suïcide cluster: twee of meer zelfmoorden (of pogingen tot) die samen geclusterd zijn door tijd of locatie (komen vaakvoor onder adolescenten)→ Kan komen door vriendschappen en ook vaak door de media- Hoe kan dit?
- Suïcide besmetting bijv. overlevenden die suïcidaal worden dienen als voorbeeld en/of maken het idee meer acceptabel
- Persoonlijkheidsfactoren suicide impulsiviteit: neiging om te handelen naar je impulsen i.p.v. deze te negeren wanneer dit ‘hoort’ →voorspelt suïcide het beste
- cognitie factoren suicide hopeloosheid: slechte toekomst en geen manier om dit positiever te maken → voorspelt suïcide én waarommensen geen hulp zoeken die suïcidale gedachten hebben
- Biologische factoren suicide - Suïcide zit in de familie → sterke genetische component- Link tussen laag serotonine niveau en suïcide(/pogingen)
- Behandeling suicide - Hospitalisatie en directe zorg- Crisis interventie programma’s- Medicatie: lithium of SSRI- Dialecticale gedragstherapie (DBT) = ontwikkelt voor borderline patiënten maar focust vooral op suïcide → negatieveemoties reguleren en impulsief gedrag controleren→ Eén ding is zeker: het blijft te vaak onbehandeld!
- Preventie suicede - Hotlines en programma’s → brede toepassing helpt vaak niet genoeg (en sporen soms zelfs aan doordat het suïcide‘gewoon’ laat lijken..)→ Doelen op specifieke populaties is effectiever→ Het aanschaffen/hebben van een wapen verhoogt het risico op suïcide enorm.. het verbieden van wapens helpt dan ook bijpreventie (andere manieren voor zelfmoord verhogen niet, zoals het springen van een gebouw, dit betekent dat mensen nietnaar een alternatief opzoek gaan als het wapen niet mogelijk is)→ Wat moet je doen als een vriend suïcidaal is?- Neem het serieus, vraag hulp, druk je zorgen uit en geef aandacht, stel vragen over zijn/haar plannen, wees objectief enbevestig gevoelens, geef bevestiging dat het beter gaat worden, zorg ervoor dat mogelijk makers van zelfmoord wordenverwijderd, laat de persoon niet alleen en zorg goed voor jezelf
- Angststoornissen - Overdreven angst (of angstaanvallen)- Selectieve aandacht- Vermijding (vaak)- Minimale tijd aanwezig- Klinisch relevant lijden en beperkingen in functioneren- Niet toe te schrijven aan een middel of een somatische aandoening- Niet beter te verklaren door een andere stoornis
- Posttraumatische stressstoornis en acute stressstoornis - PTSD en acute stressstoornis zijn de gevolgen van het ervaren van extreme stressoren (trauma’s)- Trauma volgens DSM-5: gebeurtenis waarbij een individu blootgesteld is aan werkelijke of dreigende dood, ernstigeverwondingen of seksuele mishandeling → voor PTSD en ASS stelt de DSM-5 ook dat de gebeurtenis door de persoon zelfof door een naaste van de persoon moet zijn meegemaakt (ongeveer 7% van volwassenen die aan zoiets blootgesteld zijnontwikkelen PTSD, waarbij vrouwen groter risico lopen hierop)
- Diagnose PTSD: - Aanwezigheid vier symptomen:1. Herhaald herbeleven van de traumatische gebeurtenis2. Vermijden van situaties/gedachtes/herinneringen geassocieerd met het trauma3. Negatieve veranderingen in gedachten en humeur door de gebeurtenis (bijv. bepaalde aspecten van de gebeurtenisvergeten, zichzelf de schuld geven, ‘survivor guilt’)4. Extreme waakzaamheid en chronische arousal
- PTSD met prominente dissociatieve (depersonalisatie/derealisatie) symptomen - Veel mensen met PTSD vertonen ook dissociatie, een proces waarbij hun zelfgevoel verdeeld raakt Subtype: Type II en complexe PTSD- Duur symptomen > 1 maand> Onbehandeld is de mediane duur 64 maanden> 1/3 chronisch beloop> Eerst herbelevingen op de voorgrond, later vermijding en prikkelbaarheid> Trauma kan ook leiden tot andere stoornissen (somatoforme stoornissen, OCS)> Behandeling: Exposure / IRT / EMDR
- acute stressstoornis: - A-criterium van PTSD> 3 of meer dissociatieve symptomen: herbelevingen, vermijding, verhoogd arousalniveau: angst of prikkelbaarheid- Respons op eenzelfde soort trauma als bij PTSD, maar de symptomen ontstaan binnen 1 maand na blootstelling en durenminimaal 2 dagen, maar niet langer dan 4 weken- Dissociatieve symptomen zijn vaak aanwezig- Mensen met acute stressstoornis hebben een hoger risico om uiteindelijk PTSD te ontwikkelen
- Aanpassingsstoornis: Aanpassingsstoornis: emotionele en gedragsmatige symptomen (depressiviteit, angst, antisociale symptomen) die binnen 3maanden na het ervaren van een stressor ontstaan, waarbij de stressor van elk niveau van sterkte kan zijn (is NIET zo bijPTSD)
- Trauma’s die leiden tot PTSD - Natuurrampen (betrokkenen lopen risico; waaronder dus ook hulpverlening)- Door mensen ontstane rampen (oorlogen/terroristische aanslagen/etc.) zijn misschien nog wel traumatischer dannatuurrampen; bijv. ‘shell-shock’, ‘war zone stress’ en ‘combat fatigue syndroom’- Seksuele mishandeling is het vaakst geassocieerde trauma met PTSD (ongeveer 46% van de slachtoffers ontwikkelt dit)
- Omgevings- en sociale factoren PTSD - Hevigheid, duur en proximiteit zijn sterke voorspellers (langdurige, heftige gebeurtenissen die dichtbij zijn gebeurd,ontwikkelen zich vaker tot PTSD)- Beschikbare sociale steun is ook een belangrijke voorspeller voor de kwetsbaarheid van iemand voor PTSD; emotionelesteun van andere na een trauma zorgt voor sneller herstel
- Psychologische factoren PTSD - Mensen die al depressieve/angstige symptomen voor het trauma vertonen - Copingsstijl beïnvloedt ook de kwetsbaarheid; zelfvernietigende en vermijdende strategieën leiden vaker tot PTSD (bijv.drinken of sociale isolatie) → dissociatie (psychologische scheiding van het trauma) vlak na het trauma leidt ook vaker totPTSD
- Gender en cross-culturele verschillen PTSD - Vrouwen krijgen vaker de diagnose PTSD (vrouwen ervaren stressoren wellicht vaker, vooral seksuele mishandeling;daarnaast zijn de stressoren die vrouwen ervaren vaker gestigmatiseerd, waardoor sociale hulp onbereikbaarder is)- VS: Afrikaans-Amerikanen hebben een hogere kans op PTSD → alle minderheden zijn minder waarschijnlijk om hulp tezoeken en hebben minder beschikking tot de gezondheidszorg- Cultuur beïnvloedt ook sterk de manifestatie van angst: bijv. in Latino-culturen is er een syndroom genaamd ‘ataque denervios’ en is er vaker sprake van ‘nervios’ (chronische angst)
- Biologische factoren PTSD - Biologische responsen op dreigingen zijn anders in mensen met PTSD dan mensen zonder PTSD→ Neuroimaging bevindingen:Verschillen in emotie-regulatie, fight-or-flight responsen en geheugen = amygdala (actiever; verhoogde emotionele reacties),hippocampus (verkleind; geheugenproblemen bij PTSD) en prefrontale cortex (minder actief; niet uitschakelen van diereacties)→ Biochemische bevindingen:Stresshormoon cortisol heeft in rust een lagere waarde in mensen mét PTSD dan in mensen zonder PTSD; deze lagerewaarde houdt in dat cortisol het sympathische zenuwstelsel minder onderdrukt (en dus ervaar je langer stress). Daarnaast kande hypothalamus het sympathische zenuwstelsel niet goed ‘uitzetten’, waardoor adrenaline en noradrenaline ervoor kunnenzorgen dat herinneringen te veel worden geconsolideerd (waardoor de herinneringen aan een trauma overdreven kunnenworden). Kinderen die stressoren ervaren hebben meer kans op het later ontwikkelen van PTSD door hun abnormaliteiten incortisolniveaus.
- Anzeige
- Genen PTSD - Kwetsbaarheid voor PTSD kan erfelijk zijn- Kinderen van mensen met PTSD hebben ook lagere niveaus van cortisol (of ze nou wel of niet aan een trauma zijnblootgesteld)- Abnormaliteiten in het brein hebben wellicht ook een genetische basis
- PTSD Psychotherapie, drie doelen: 1. Blootstellen cliënt aan angsten om de angsten te bepalen2. Verstoorde cognities uitdagen die bijdragen aan symptomen3. Stress helpen reduceren in het leven van de cliënt
- Cognitieve-behavioristische therapie en stressmanagement PTSD - Systematische desensitisatie: cliënt identificeert gedachtes/situaties die angsten oproepen en maakt hierin een ranglijst,waarna de therapeut de cliënt door deze lijst heen haalt met ontspanningstechnieken- Het herhaald herbeleven van de gebeurtenis in de veilige omgeving van de therapeut helpt om de angst te habitueren- Wanneer opnieuw blootstellen aan het trauma niet mogelijk is/niet gewenst: stress-inoculatie therapie = vaardighedenleren om problemen in hun leven te overkomen die stress en wellicht PTSD veroorzaken
- Biologische therapie PTSD - SSRI’s en benzodiazepines worden gebruikt om symptomen te bestrijden als slaapproblemen, nachtmerries enfrustratietolerantie- Hebben gemixte resultaten qua effectiviteit
- Specifieke fobie DSM-5: vijf categorieën =1) Dieren (vooral slangen en spinnen): angst, walging en afschuw2) Natuurlijke omgeving (hoogte, stormen, water): angst en lichamelijke symptomen3) Situationeel (openbaar vervoer, tunnels rijden, vliegen, liften, bruggen = claustrofobie bijv.!): gevaar en dreiging4) Bloed-injectie-verwonding (naalden, bloed zien, verwondingen zien, waarbij de fobie juist vaak leidt tot flauwvallen i.p.v.versnelde hartslag etc. → komt vaker voor binnen families dan andere fobieën)5) Anderen: bijv. emetofobie→ Aanwezigheid/aanraking komen met object/situatie leidt tot directe angst en soms tot een paniekaanval→ Ontwikkeling vaak tijdens jeugd (volwassenen zien hun fobie als irrationeel, kinderen vaak niet)
- Agorafobie angst voor situaties waaruit je moeilijk kan ontsnappen (open plekken, openbaar vervoer, winkels, theaters, etc.)→ gaat vaak gepaard met schaamte/angst voor het opmerken door anderen van hun symptomen en poging tot vluchten- Heeft vaak een geschiedenis in andere stoornissen (paniekaanvallen, depressie, angst, somatisch-symptoom)DSM-IV: als copingDSM-5: als aparte stoornis
- Behavioristische theorieën fobieën Mowrer’s twee-factoren theorie: klassieke conditionering leid tot de angst voor het fobische object en operanteconditionering houdt de angst in stand→ Voorbeeld van Little Albert (zie figuur 5.3, blz. 121) met een geconditioneerde angst voor witte ratten→ Het herhaald aanbieden van de geconditioneerde stimulus zónder de ongeconditioneerde stimulus (de muis zonder deklap) leidt tot het uitdoven van de fobie; echter doen veel mensen dit niet omdat bij fobieën vermijdingsgedrag voorkomt →dit is de negatieve reinforcement (vermijding van beangstigend object is beloning)→ Angst kan ook door observationeel leren ontstaan→ Angst voor bepaalde objecten komt vaak voort uit evolutionaire basis, omdat het voordelig is om spinnen/insecten/slangente vermijden = prepared classical conditioning (het is dan ook lastiger om via klassieke conditionering iemand een fobie telaten krijgen voor bloemen dan voor spinnen, het is ook makkelijker om een fobie voor bloemen uit te laten doven)
- Biologische theorieën fobieën → Eerstegraads familie met fobieën (ouders, kinderen, broers/zussen) hebben vier keer meer kans om een fobie te hebbendan eerstegraads familie zonder fobieën (erfelijkheidscomponent)→ Gemixte resultaten: kan zijn dat je genetica hebt voor één specifieke fobie of dat je algemene aanleg hebt om een fobie tekrijgen
- Behavioristische behandelingen fobieën Blootstelling (exposure) gebruiken: systematische desensitisatie, modeling en flooding→ Systematische desensitisatie: ranklijst van situaties die beangstigend zijn en het aanleren van ontspanningstechnieken bijblootstelling aan deze lijst→ Applied tension technique: techniek gebruikt om bloed-injectie-verwondingen fobieën te behandelen (omdat dezefobieën vaak al samen gaan met lage hartslag etc.), waarbij de techniek wordt aangeleerd om spieren aan te spannen en debloeddruk verhogen; vervolgens wordt gebruik gemaakt van systematische desensitisatie→ Modeling houdt in dat de cliënt kijkt naar de therapeut die bijv. een slang vasthoudt, waardoor de cliënt d.m.v.observationeel leren de fobie afleert→ Flooding is het extensief blootstellen van de cliënt aan zijn angst, waarbij de cliënt meestal eerst ontspanningstechniekenaangeleerd krijgtAlle drie de technieken zijn effectief, maar flooding werkt het snelst (alleen is het moeilijk om dit toe te passen aangeziencliënten dit vaak liever niet hebben..)
- Biologische behandelingen fobieën - Benzodiazepines om angst te remmen tijdens confrontatie met fobisch object → brengt tijdelijke reductie, fobie blijft
- Sociale angststoornis: angstig in sociale situaties, bang voor afwijzing, beoordeling of vernedering → vermijding van dezesituaties
- Sociale fobie: hevige, aanhoudende angst voor:◦ Situaties waarin men wordt blootgesteld aan een mogelijke kritische blik van anderen en waarin men bang is zichzelfbelachelijk te maken (bijv. blozen of trillende handen)◦ Deze situaties worden vermeden of doorstaan met hevige angst (bijv. paniek)◦ Specificatie: plankenkoorts
- Differentiaal diagnose Sociale angststoornis/fobie - Grote overlap met ontwijkendepersoonlijkheidsstoornis◦ Stoornis in de lichaamsbeleving◦ Paniekaanvallen◦ Autisme◦ Let op middelengebruik→ Prevalentie van ongeveer 12%, waarbij vrouwen meer kans hebben op het ontwikkelen van deze stoornis→ Ontwikkelt zich vaak in de jeugd of adolescentie→ Bestaat vaak naast bijv. een angststoornis en stemmingsstoornissen→ Is chronisch als het niet behandeld wordt
- Theorieën over sociale angststoornis Cognitieve perspectief: mensen met een sociale angststoornis hebben een overdreven hoge standaard voor socialeperformance (bijv.: ze moeten door iedereen aardig gevonden worden) en focussen zich op negatieve aspecten→ Veiligheidsgedrag om hun angst te verminderen: oogcontact vermijden, oefenen wat ze gaan zeggen etc.Retrospectieve causaliteit: ouders van mensen met sociale angststoornis worden vaak gelabeld als te beschermend encontrolling
- Behandelingen voor sociale angststoornis - SSRI’s en serotonine-norepinefrine heropnameremmers kunnen symptomen goed onderdrukken (maar komen gelijk terugwanneer medicatie stopt)- CBT: blootstellen van cliënt aan sociale situaties die hen angstig maken (systematische desensitisatie, modelling);ontspanningstechnieken lerenCognitieve component: identificeren van negatieve cognities die cliënt heeft over zichzelf en sociale situaties en hen aanlerenom deze cognities om te vormen→ CBT is effectiever op de lange termijn (therapie na terugval niet mogelijk)
- Paniekstoornissen regelmatige paniekaanvallen, niet geassocieerd met een bepaalde situatie, onverwacht en de persoon maaktzich zorgen om ze te krijgen→ Idee dat het lichamelijk is: denken dat je een hartaanval krijgt of bijv. denken ‘gek te worden’→ Paniekstoornis komt vaker voor bij vrouwen en is vaak chronisch (hoge kans op terugval, ook na effectieve behandeling!)→ Gaat vaak samen met gegeneraliseerde angst, depressie en/of alcoholmisbruik (wat een verhoogde kans op zelfmoordmeebrengt)- Stress door interpersoonlijke problemen of i.v.m. fysieke gezondheid (incl. drugs) vaak oorzaak van terugkeer symptomen- Komt bij verschillende culturen even vaak voor, maar andere presentatievorm- Hoge medische zorgconsumptie en beperkingen in functioneren
- Biologische factoren paniekstoornissen - Erfelijkheid is ongeveer 43-48%- Slecht fight-flight respons door slechte regulatie neurotransmitters (GABA, cholecystokinine, norepinefrine, serotonine) →paniekaanval triggeren door veranderingen in ademhaling (hyperventilatie, sporten, CO2 inademen, etc.)- Verschillen in limbisch systeem (amygdala, hypothalamus en hippocampus)- Dysregulatie norepinefrine in hersenstam regio genaamd locus ceruleus (leidt tot stimulatie limbisch systeem → drempelverlagen voor activatie → paniekaanval → chronische angst → dysregulatie locus ceruleus → paniekaanval)Figuur 5.5, blz. 129 bekijken- Verhoogde angst symptomen van vrouwen met paniekstoornis tijdens de menstruatie of na de bevalling (progesteron →invloed op serotonine en GABA, daarnaast kan het ook milde, chronische hyperventilatie doen ontstaan)
- Cognitieve factoren van paniekstoornissen Mensen met paniekaanvallen:1. Veel aandacht voor lichaamssensaties,2. Misinterpretatie van deze sensaties op een negatieve manier,3. Sneeuwbal effect van catastrofisch denken, overdrijven van hun symptomen en de consequenties → dit verhoogt desensatie alleen maar meer en tussen paniekaanvallen zorgt dit voor constante arousal (waardoor een volgende aanvalmakkelijker ontstaat) = paniekcirkel- Angst sensitiviteit: overtuiging dat lichaamssymptomen teken zijn van een schadelijke ziekte o.i.d. (hoge angst sensitiviteit= meer kans op paniekaanval)- Interoceptief bewustzijn: meer bewustzijn van lichamelijke cues (zoals bijv. een beetje angst of arousal) die eenpaniekaanval kunnen voorspellen; zijn geconditioneerde stimuli geworden die bij een eerdere paniekaanval voorkwamen (endus nu weer?) → proces heet interoceptieve conditionering
- Biologische behandelingen paniekstoornissen - Medicatie die serotonine en norepinefrine systemen beïnvloedt (SSRI’s zoals Paxil/Prozac/Zoloft, SNRI’s zoals Effexor) entricyclische antidepressiva- Benzodiazepines die GABA, norepinefrine en serotonine beïnvloeden → werken snel maar ook verslavend→ Meestal is er een directe terugval na het stoppen met de medicatie
- Cognitieve-gedragstherapie paniekstoornissen - Confrontatie → helpt op 2 manieren; veranderingen in irrationele gedachtes en angstgedrag uitschakelen- Componenten:1. Ontspanningstechnieken leren2. Catastrofische cognitief identificeren (gedachtedagboeken bijv.)3. Tijdens het ervaren van paniekaanvallen (veroorzaakt door kleine oefeningen met de therapeut) worden de ademhalingsenontspanningstechnieken toegepast4. Catastrofische gedachtes uitdagen en veranderen5. Systematische desensitisatie therapieTricyclische antidepressiva en CBT zijn even effectief volgens een aantal studies, maar volgens andere studies geeft CBTsneller verlichting van de symptomen