99
Nederlands (Fach) / Appendix I (Lektion)
Anzeige
- nehmen nemen nam namen genomen hebben
- empfangen ontvangen ontving ontvingen ontvangen hebben
- reiten rijden reed reden gereden hebben,zijn
- rufen roepen riep riepen geroepen hebben
- schießen schieten schoot schoten geschoten hebben
- scheinen schijnen scheen schenen geschenen hebben
- erschrecken schrikken schrok schrokken geschrokken zijn
- schreiben schrijven schreef schreven geschreven hebben
- schlafen slapen sliep sliepen geslapen hebben
- schließen sluiten sloot sloten gesloten hebben
- Anzeige
- schneiden snijden sneed sneden gesneden hebben
- sprechen spreken sprak spraken gesproken hebben
- springen springen sprong sprongen gesprongen hebben,zijn
- stehen staan stond stonden gestaan hebben
- stechen steken stak staken gestoken hebben
- stehlen stelen stal stalen gestolen hebben
- sterben sterven stierf stierven gestorven zijn
- ziehen trekken trok trokken getrokken hebben,zijn
- fallen vallen viel vielen gevallen zijn
- fangen vangen ving vingen gevangen hebben
- segeln varen voer voeren gevaren hebben,zijn
- kämpfen vechten vocht vochten gevochten hebben
- verbieten verbieden verbood verboden verboden hebben
- verschwinden verdwijnen verdween verdwenen verdwenen zijn
- vergessen vergeten vergat vergaten vergeten hebben,zijn
- verlassen verlaten verliet verlieten verlaten hebben
- verlieren verliezen verloor verloren verloren hebben
- abreisen vertrekken vertrok vertrokken vertrokken zijn
- finden vinden vond vonden gevonden hebben
- fliegen vliegen vloog vlogen gevlogen hebben,zijn
- Anzeige
- fragen vragen vroeg vroegen gevraagd hebben
- waschen wassen waste wasten gewassen hebben
- werfen werpen wierp wierpen geworpen hebben
- wissen weten wist wisten geweten hebben
- anzeigen wijzen wees wezen gewezen hebben
- wollen willen wilde wilden gewild hebben
- gewinnen winnen won wonnen gewonnen hebben
- werden worden werd werden geworden zijn
- sagen zeggen zei zeiden gezegd hebben
- senden zenden zond zonden gezonden hebben
- sehen zien zag zagen gezien hebben
- sein zijn was waren geweest zijn
- singen zingen zong zongen gezongen hebben
- sitzen zitten zat zaten gezeten hebben
- suchen zoeken zocht zochten gezocht hebben
- sollen zullen zou zouden ------- -------
- schwimmen zwemmen zwom zwommen gezwommen hebben,zijn
- schweigen zwijgen zweeg zwegen gezwegen hebben
- Beistehen klaarstaan - ik sta klaar; je staat klaar, hij staat klar staat klaar, staan klaar klaargestaan