99

Nederlands (Fach) / Appendix I (Lektion)

Verben

Diese Lektion wurde von PaulZoklits erstellt.

Lektion lernen

Anzeige
  • nehmen nemen nam namen genomen hebben
  • empfangen ontvangen ontving ontvingen ontvangen hebben
  • reiten rijden reed reden gereden hebben,zijn
  • rufen roepen riep riepen geroepen hebben
  • schießen schieten schoot schoten geschoten hebben
  • scheinen schijnen scheen schenen geschenen hebben
  • erschrecken schrikken schrok schrokken geschrokken zijn
  • schreiben schrijven schreef schreven geschreven hebben
  • schlafen slapen sliep sliepen geslapen hebben
  • schließen sluiten sloot sloten gesloten hebben
  • Anzeige
  • schneiden snijden sneed sneden gesneden hebben
  • sprechen spreken sprak spraken gesproken hebben
  • springen springen sprong sprongen gesprongen hebben,zijn
  • stehen staan stond stonden gestaan hebben
  • stechen steken stak staken gestoken hebben
  • stehlen stelen stal stalen gestolen hebben
  • sterben sterven stierf stierven gestorven zijn
  • ziehen trekken trok trokken getrokken hebben,zijn
  • fallen vallen viel vielen gevallen zijn
  • fangen vangen ving vingen gevangen hebben
  • segeln varen voer voeren gevaren hebben,zijn
  • kämpfen vechten vocht vochten gevochten hebben
  • verbieten verbieden verbood verboden verboden hebben
  • verschwinden verdwijnen verdween verdwenen verdwenen zijn
  • vergessen vergeten vergat vergaten vergeten hebben,zijn
  • verlassen verlaten verliet verlieten verlaten hebben
  • verlieren verliezen verloor verloren verloren hebben
  • abreisen vertrekken vertrok vertrokken vertrokken zijn
  • finden vinden vond vonden gevonden hebben
  • fliegen vliegen vloog vlogen gevlogen hebben,zijn
  • Anzeige
  • fragen vragen vroeg vroegen gevraagd hebben
  • waschen wassen waste wasten gewassen hebben
  • werfen werpen wierp wierpen geworpen hebben
  • wissen weten wist wisten geweten hebben
  • anzeigen wijzen wees wezen gewezen hebben
  • wollen willen wilde wilden gewild hebben
  • gewinnen winnen won wonnen gewonnen hebben
  • werden worden werd werden geworden zijn
  • sagen zeggen zei zeiden gezegd hebben
  • senden zenden zond zonden gezonden hebben
  • sehen zien zag zagen gezien hebben
  • sein zijn was waren geweest zijn
  • singen zingen zong zongen gezongen hebben
  • sitzen zitten zat zaten gezeten hebben
  • suchen zoeken zocht zochten gezocht hebben
  • sollen zullen zou zouden ------- -------
  • schwimmen zwemmen zwom zwommen gezwommen hebben,zijn
  • schweigen zwijgen zweeg zwegen gezwegen hebben
  • Beistehen klaarstaan - ik sta klaar; je staat klaar, hij staat klar  staat klaar, staan klaar klaargestaan