106
Niederländisch (Fach) / Code Nederlands 1 - 4 (Lektion)
- Sport treiben / trieb Sport / hat Sport getrieben sporten / sportte / heeft gesport
- weit / weite ver / verre
- hören / hörte / hat gehört luisteren / luisterde / heeft geluisterd
- die Moschee de moskee
- der Club de club
- der Verein / die Vereine de vereniging/en
Anzeige