62

Holländisch (Fach) / A1a Capter 4 (Lektion)

Vocabulary from the Book Nederlands in gang

Diese Lektion wurde von moritzcm erstellt.

Lektion lernen

Anzeige
  • de straat Straße
  • de vriend Freund
  • tegenkommen ik kom tegen jij komt tegen hij/zij/het komt tegen wij komen tegen jullie komen tegen zij komen tegen treffen
  • leuk nett
  • prima toll, wunderbar
  • het gaat wel in Ordnung
  • het probleem Problem
  • buren Nachbarn
  • niet zo nicht so
  • belangrijk wichtig
  • Anzeige
  • de week Woche
  • een paar dagen ein paar Tage
  • prachtig herrlich, wunderbar
  • veel viele
  • foto's maken fotografieren
  • sinds seit
  • romantisch romantisch
  • de film Film
  • na nach
  • kijken naar etwas anschauen
  • direct jetzt gleich
  • iets etwas
  • afspreken absprechen
  • thuis zuhause
  • de afspraak der Termin
  • de datum Datum
  • dat lukt niet das geht nicht
  • lukken gelingen, glücken
  • dan dann
  • kunnen ik kan jij kan hij kan wij kunnen jullie kunnen zij kunnen können
  • Anzeige
  • blijven ik blijf jij blijft hij blijft wij blijven jullie blijven zij blijven bleiben
  • eten essen
  • het plan Plan
  • schrijven ik schrijf jij schrijft hij schrijft wij schrijven jullij schrijven zij schrijven schreiben
  • de agenda Terminplan
  • hartstikke herzlichen
  • vind ik ook das denke ich auch
  • ik moet ervandoor ich muss gehen
  • ervandoor weg
  • gauw schnell
  • wensen ik wens jij wenst zij wenst wij wensen jullie wensen zij wensen wünschen
  • de groeten doen aan XXX (doe de groeten aan) grüße XXX
  • tot dann bis dann
  • Alles goed? Alles klar?
  • Hoe gaat het (met jou / met u)? Wie geht es (dir / ihnen)?
  • Hoe gaat het? Prima. En met jou? / Niet zo. Wie gehts? Super. Und dir? / Nicht so gut.
  • Zullen we voor zaterdag een afspraak maken? Sollen wir uns für Samstag verabreden?
  • Zullen we iets afspreken? Sollen wir was ausmachen?
  • Ja, dat kan. Ja, das geht.
  • Ja, dat is goed. Ja, das ist gut.