48
In de Startblokken Nederlands (Fach) / hoofdstuk 10 (Lektion)
Anzeige
- Fahrrad de fiets
- Fahrradhändler / der Zweiradmechaniker de fietsenmaker
- tatsächlich/ allerdings inderdaad
- deutlich/ klar duidelijk :)
- scheinen (zu haben) lijken
- Totalschaden total loss
- passieren passiert gebeuren gebeurd
- fallen gefallen vallen gevallen
- regnen geregnet regenen regende
- glatt glad
- Anzeige
- wegfahren fuhr weg wegfietsen fietste weg
- Rad fahren fietsen
- Praxis praktijk
- wollen wollte willen wilde
- rechts abbiegen rechts afslaan
- ausrutschen rutschte aus wegglijden gleed weg
- fehlen fehlte mankeren menkeerde
- selbst zelf
- das Rad hat eine 8 er zit een slag in het wiel
- Rad het wiel
- Gepäckträger de bagagedrager
- abbrechen abgebrochen afbreken afgebroken
- Lenker het stuur
- Sattel het zadel
- sind schief staan scheef
- stehen staan
- meinen bedoelen
- Klingel de bel
- Pedal de trapper
- Reifen de banden de band
- Anzeige
- verstehen verstaan
- logisch logisch
- ganz (und gar) helemaal
- fahren fährt rijden rijdt
- Bremsen de rem remmen
- funktionieren funktionierten doen deden
- kontrollieren controleren
- reparieren in orde maken
- tipptopp tiptop
- fertig klaar
- Feiertag de feestdag
- Fest/ Feier het feest
- heißen/bedeuten das heißt/bedeutet betekenen dat betekent
- geschlossen schließen gesloten (sluiten)
- Ende het einde
- abholen ophalen
- Licht het licht
- Ständer de standaard