19
Niederländisch (Fach) / vergleichende Worte (Lektion)
Wörter, die verwendet werden um etwas mit einander zu vergleichen
Diese Lektion wurde von Haarlem erstellt.
Diese Lektion ist leider nicht zum lernen freigegeben.
Anzeige
- das selbe/ der selbe/dem selben hetzelfde/ dezelfde wij werken in hetzelfde gebouw
- gleich sein gelijk zijn aan Het aantal geslaagden is gelijk aan dat van de vorige keer.
- genauso .... wie even...als Vorig jaar werden evenveel baby's geboren als dit jaar.
- genauso....wie net zo...als In deze groep zitten net zo veel cursiten als in de vorige cursus.
- auch ook
- sowohl... als auch zowel...als Zowel de ouders als de kinderen gingen mee op schoolreis.
- beide beide(n)/ allebei Mijn beide kinderen hebben katten. Ik pas bij geen van beiden op hun katten. Allebei mijn kinderen hebben katten.
- genauso wie evenals Hij is donker, evenals zijn broer.
- mehr als... meer dan... Wij hebben meer boeken dan de buren.
- nicht gleich niet gelijk aan Het aantal gezakten is niet gelijk gebleven.
- Anzeige
- ...mal so.. als ...keer zo...als Ik ben twee keer zo snell als een jaar geleden.
- nicht so... wie niet zo... als Drinken jullie niet zo veel koffie als zij?
- doch/ dennoch trotzdem
- aber maar
- obwohl hoewel Hoewel ik te jong was, heb ik die horrorfilm in de bioscoop kunnen zien.
- während terwijl Terwijl ik afwas, stopt Michael de kinderen in bed.
- jedoch/allerdings/ dennoch echter
- im Gegensatz zu... in tegenstelling tot... Don Juan was, in tegenstelling tot Casanova, een minnaar zonder hart
- dagegen/dahingegen daarentegen Een bloem daarentegen is het zinnebeeld van de vergangelijkheid.