82

Nederlands (Fach) / Allgemein (Lektion)

fortgeschritten

Diese Lektion wurde von wbhbst erstellt.

Lektion lernen

Diese Lektion ist leider nicht zum lernen freigegeben.

Anzeige
  • Trauer de rouw
  • Leid, Kummer het verdriet
  • aufheben, auflösen, beheben opheffen
  • verfügen, bestimmen, anordnen bepalen
  • Drohung de dreiging het dreigement
  • Reihenfolge, Abfolge, Ordnung de volgorde
  • zusammenkommen bijeenkomen
  • geraten, kommen, treffen, berühren raken
  • verschieben, aufschieben uitstellen
  • schmoren sudderen
  • Anzeige
  • Unmut, Unzufriedenheit de onvrede
  • Widerstand de weerstand de tegenstand
  • trauern rouwen treuren in de rouw zijn
  • widerstehen zich verzetten tegen
  • zurückführen auf wijten aan (ik weet, ik heb geweten)
  • abhelfen, beheben verhelpen ik verhielp, ik heb verholpen
  • aus der Mode kommen uit de mode raken
  • aus dem Tritt kommen uit de pas raken
  • süchtig werden verslaafd raken
  • Feuer fangen, in Brand geraten in brand raken
  • Fahndung de opsporing
  • Ermittlung het opsporen
  • fahnden, ermitteln, aufspüren, ausfindig machen opsporen
  • Schwäche de zwakheid
  • zeigen, darlegen, ergeben aantonen
  • verleihen (Preise) uitreiken
  • beunruhigend verontrustend
  • gelangen, geraten terechtkomen ik kwam terecht ik ben terechtgekomen
  • Phänomen, Erscheinung het verschijnsel
  • endlos eindeloos
  • Anzeige
  • Einbildungskraft de verbeeldingskracht
  • Einbildung (Phantasie) de verbeelding
  • bekämpfen bestrijden ik bestreed, ik heb bestreden
  • speichern, lagern opslaan ik sloeg op, ik heb opgeslagen/opgeslaan
  • beruhigen geruststellen ik geruststelde, ik heb gerustgesteld
  • Gegenwart de tegenwoordigheid de tegenwoordige tijd
  • Vergangenheit het verleden de verleden tijd
  • beenden, vollenden voltooien
  • Zukunft de toekomst de toekomende tijd
  • künftig, in Zukunft voortaan
  • Substantiv het zelfstandig naamwoord
  • Adjektiv het bijvoegelijke naamwoord
  • Verb het werkwoord
  • deklinieren verbuigen ik verboog ik heb verbogen
  • konjugieren conjugeren ik conjugeerde ik heb geconjugeerd
  • Präposition het voorzetsel
  • Pronomen het voornaamwoord
  • anheben, beginnen aanheffen
  • Anfang, Beginn, Anrede de aanhef
  • zugetan, ergeben toegewijd