51
Dutch (Fach) / Dutch 3 Woche 1 (Lektion)
fiets
Diese Lektion wurde von Johannahgd erstellt.
Diese Lektion ist leider nicht zum lernen freigegeben.
Anzeige
- Bike / Bicyle de fiets
- Fahrrad repatur mann de fietsenmaker
- indeed / in der Tat inderdaad
- clear duidelijk
- seems / appears lijken
- a write off / totalschaden total loss
- happened gebeuren
- fallen (vergangenheit) gevallen / normal: vallen
- was raining regende / regenen
- slippery glad
- Anzeige
- cycled away fietste weg / wegfietsen
- cycle fietsen
- practice de praktijk
- wanted wilde / normal: willen
- turn right rechts afslaan
- slipped gleed weg / normal: wegglijden
- was wrong mankeerde / mankeren
- myself zelf
- the weel is crooked een slag in het wiel
- wheel het wiel
- handelbars / Handstücke vom Fahrrad het stuur
- seat het zadel
- are (stand) staan
- crooked / krumm scheef
- thing het ding
- such a zo'n
- carrier /Gepackträger de begagedrager
- broken afgebroken / afbreken
- mean dedoelt / normal: bedoelen
- pedal de trapper
- Anzeige
- broken kapot
- tyres banden / de band
- heard verstaan
- logical logisch
- completely helemaal
- goes (rides) rijden
- brakes remmen / de rem
- worked deden / normal: doen
- check controleren
- fix in orde marken
- in tip-top condition tiptop in orde
- learn leer / normla: leren
- expression uitdrukkingen / de uitdrukking
- ready klaar
- King's Day Koningsdag
- public holiday de feestdag
- party / celebration het feest
- means betekenen
- closed gesloten
- end het einde