366
Niederländisch (Fach) / Vokabeln (Lektion)
Anzeige
- so zo
- am aan het + inf
- anrufen bellen
- ziemlich best wel
- bedeutet betekent
- zum Beispiel bijvoorbeeld
- das;dass dat
- denkst denkt
- taub doof
- deutsch duits
- Anzeige
- sich trauen durven
- und so weiter enzovoort
- Sessel fauteuil
- Frankreich Frankrijk
- Französisch het frans
- einfach gemakkelijk
- Witzbold grapjas
- kuscheln knuffelen
- basteln knutselen
- Lehrer leraar
- lernen leren
- lieber liever
- schwierig moeilijk
- Niederländisch het nederlands
- oder of
- treffen ontmoeten
- Brieftasche portefeuille
- Reißzwecke punaise
- sprechen spreken
- stören storen
- Anzeige
- von selbst vanzelf
- Geburtstagsfeier het verjaardagsfeest
- Überraschung verrassing
- verstehen verstaan
- übersetzen vertalen
- Freundin vriendin
- was für eine... wat een
- wissen weten
- Meer zee
- Können Sie das nochmal wiederholen? Kunt u dat nog eens herhalen?
- Was meinst du mit...? Wat bedoel je met...?
- Können Sie etwas langsamer sprechen? Kunt u iets langzamer spreken?
- Wie sagt man das im Niederländischen? Hoe zeg je dat in het Nederlands?
- an der Reihe aan de beurt
- Angebot aanbieding
- verabreden afspreken
- nur alleen
- bisschen beetje
- mittelalt belegen
- bezahlen betalen